Rampjaar

Figuur 1 Blik vanaf parkeerplaats Elshof Fruit richting Balgoy met links oude kerktoren en rechts de “nieuwe” kerk

Het jaar 2020 was een rampjaar. Daar zijn we het allemaal wel over eens. Ook 1672 was een rampjaar voor de toenmalige Republiek der Nederlanden en ook voor het kasteel van Balgoy.

Zoals in de Canon van Nederland wordt beschreven was de Republiek der Nederlanden in de 17e eeuw één van de rijkste en machtigste landen ter wereld. Dit kwam door de succesvolle handel van de V.O.C. (Vereenigde Oostindische Compagnie). Niet voor niets wordt deze periode de Gouden Eeuw genoemd. De buurlanden van de Republiek hadden hier moeite mee en Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen verklaarden de Republiek in 1672 de oorlog. Het grootste leger van Europa sinds de Romeinen stond voor de deur van de Republiek: 1672 zou dan ook de geschiedenis ingaan als het Rampjaar. Een grote troepenmacht onder aanvoering van de Franse koning Lodewijk XIV, de beroemde Zonnekoning, trok plunderend en moordend vanuit het zuiden opwaarts door ons land. Met man en macht probeerde ons land zich te verdedigen tegen een verdere aanval naar het noorden en westen van de republiek. Met de verdediging van de Republiek was het echter slecht gesteld. De Fransen hadden dan ook geen enkele moeite om het zuidelijk deel van de Republiek binnen te vallen en ook het Huys te Balgoy werd totaal verwoest. Wat er in de jaren daarna met het kasteel is gebeurd is niet helemaal duidelijk, maar het is waarschijnlijk dat het een periode onbewoond was. Wel lijkt het voor de hand te liggen dat het kasteel is gebruikt als hoofdkwartier bij de maanden durende belegering van het door de Fransen bezette Grave in 1674. “De bevelhebber van het leger der Staten had zijn hoofdkwartier te Balgoy” (M.T. Roelofs, Geschiedenis van Grave (1938) blz. 33).

In 1687 werden het kasteel en de Heerlijkheid gekocht door George van Weelde, die gouverneur van Grave was. Dochter Everdina geboren in 1685 en getrouwd in 1702 met Lebrecht prins van Anhalt -Bernburg-Schaumburg-Hoym, erfde de bezittingen in 1712. Deze katholieke kasteelvrouw (Hora Siccama, T.H., Aantekeningen en verbeteringen op het in 1906 door het Historisch Genootschap uitgegeven Register op de Journalen van Constantijn Huygens den zoon (1915)) steunde de katholieke parochie van Balgoy en Keent door in 1715 de oude schuurkerk uit 1693 te laten vervangen door een nieuwe. De Balgoyse kerk was al in 1609 door de gereformeerden in beslag genomen, waardoor de parochianen in Ravenstein, Velp of Wijchen naar de kerk moesten tot ze in 1693 weer een eigen plek hadden om te bidden. De parochie omvatte in het begin van de 18e eeuw behalve Balgoij en Keent ook half Nederasselt en twee hoeven op de Weegelaar onder Wijchen. Op het stuk grond aan de Velpse straat (nu Veldsestraat) dat Everdina van Anhalt ter beschikking stelde, legde zij op 15 juli 1715 de eerste steen. Voor de bouw van de schuurkerk werd een deel van het oude kasteel afgebroken. Ook de gemeente Balgoy en Keent droeg bij en de paters Capucijnen uit Velp bedienden de parochie gedurende een groot deel van de 18de eeuw. Pas in 1800 werd de oude parochiekerk door de katholieken teruggevorderd. Na haar overlijden in 1724 werd kasteelvrouw en weldoenster Everdina van Anhalt begraven in de kapel van het capucijnenklooster ‘Emmaüs’ in Velp (Noord-Brabant).

Figuur 2 Grafzerk van Everdina Jacoba Wilhelmina in het klooster Emmaüs
(Bron: Havang(nl) – Eigen werk, CC0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=11575522)

Dochter Wilhelmina erfde de bezittingen na het overlijden van moeder Everdina en zoals vaak levert een moeilijke tijd ook weer mooie dingen op. Het oude kasteel werd verder afgebroken en op dezelfde plek werd een huis in classicistische stijl gebouwd. Er werd ook een hof, boomgaarden en een schone tuin aangelegd (A.G. Schulte, Het Rijk van Nijmegen, Westelijk gedeelte). Van deze tuin zijn geen verdere details bekend; niet te zien op oude prenten of kaarten bijvoorbeeld. Althans tot zeer recent, want twee weken geleden plaatste Rudie van Haren een enthousiast bericht op Facebook van Balgoy Beter Bekend, waarin niet alleen de bekende prent van Stellingwerf wordt genoemd (De Gelderlander, 2009), maar ook een detail van een kaart waarvan het bestaan nog niet bekend was. Op deze kaart zijn de hierboven genoemde hof, boomgaarden en een mooi aangelegde tuin duidelijk zichtbaar.

Figuur 3 Detail kaart met daarop “’t huys te Balgoyen” met hof, boomgaarden en de mooi aangelegde tuin

Zoals gezegd bevatte het bericht van Rudie van Haren niet alleen een overzicht van hof en tuin van ‘t huys te Balgoyen, maar ook een prent van het kasteel. Dit maakte dat mijn enthousiasme een beetje getemperd werd, want van die prent is meer bekend. Het gaat hier over de bekende prent van de Amsterdammer Jacobus Stellingwerf.

Figuur 4 “‘t Slot te Balgoijen”, rond 1725 getekend door Amsterdammer Jacobus Stellingwerf

Op 5 februari 2009 verscheen er een artikel in de Gelderlander waarin de prent “opduikt”. Een prent van het kasteel van Balgoy waarvan niemand wist dat hij bestond, werd gevonden door Bert Kolkman, een liefhebber van historische topografie. Ook in dit geval was Rudie van Haren degene die de ontdekking oppikte en ons allemaal enthousiast maakte. Alleen Kolkman maakte toen al de kanttekening dat hij bedenkingen had over de betrouwbaarheid van de prent. De prent is rond 1725 getekend door Amsterdammer Jacobus Stellingwerf. Kolkman vond de tekening in een van de dozen die hij eind vorige eeuw aantrof in de bibliotheek van Rotterdam. De tekening is een halve eeuw na de verwoesting van het slot gemaakt. Kolkman weet te melden dat Stellingwerf nooit tekende naar gebouwen die hij zelf waarnam maar oudere afbeeldingen overtekende. De originele afbeelding van het Balgoyse kasteel is waarschijnlijk verloren gegaan of in ieder geval nog niet gevonden. Kolkman twijfelt dan ook of het kasteel er ooit zo uitgezien heeft en zelfs of het wel een tekening van het kasteel is.

Die twijfel wordt bevestigd door Hermans in zijn proefschrift (Middeleeuwse woontorens in Nederland – de bouwhistorische benadering van een kasteelvorm, Hermans, D.B.M., Leiden 2013). In dit proefschrift stelt de auteur dat topografische tekeningen een welkome aanvulling zijn op zowel het archeologisch als het bouwhistorisch onderzoek. De tekeningen geven bijvoorbeeld inzicht in de opbouw van torens, het aantal bouwlagen en de positionering van de toren op het kasteelterrein. Tegelijkertijd zegt Hermans dat kaarten en topografische afbeeldingen niet altijd een betrouwbare bron zijn. Vaak ging het de kaartmaker of tekenaar niet om een betrouwbare weergave van een gebouw en was de weergave niet meer dan een symbool. Hermans noemt in het proefschrift ook het kasteel van Balgoy als voorbeeld. Hij stelt dat Jacobus Stellingwerf over het algemeen uiterst onbetrouwbaar is. Een voorbeeld van de onbetrouwbaarheid is zijn tekening van Balgoy, die op geen enkele wijze met de opgegraven funderingen in verband te brengen is.

Figuur 5 Uit het proefschrift van Hermans, links: Overzicht van de opgraving van Balgoy. Tekening J. Renaud 1942. RCE, ROB_1992-03558 en rechts: Fantasietekening van Balgoij door J. Stellingwerf, ca 1725. BR, zonder inv.nr.

Wat betreft de betrouwbaarheid van de “nieuwe” topografische kaarten ben ik positiever gestemd. Deze zijn afkomstig uit het archief van M.J. de Man, in 1765 geboren te Nijmegen en in 1838 overleden te Grave, dat te vinden is in het Nationaal Archief in Den Haag. Het archief bevat onder andere stukken betreffende zijn diverse aanstellingen in militaire dienst en de verdediging van de vesting Grave in 1794. De kaarten zullen te maken hebben met zijn functie als directeur van het Topografisch Bureau en het archief van de oorlog. Dit speelde in de periode na de omwenteling van 1795 – 1820. Het archief bevat onder meer een omslag die stukken bevat met betrekking tot het vervaardigen van topografische kaarten. Hierin zijn waarschijnlijk de kaarten over Balgoy te vinden.
De kaarten zijn erg gedetailleerd en cartografisch betrouwbaar. Als je een overlay maakt van de kaart met een hedendaagse Google Earth luchtfoto zie je dat wegen en landschap erg mooi passen, wat duidelijk maakt dat de cartograaf erg nauwkeurig te werk is gegaan. Deze kaart bevestigt eerdere beschrijvingen in het boek van A.G. Schulte, “Kleinkinderen verkochten het adellijk huis met hof, boomgaarden en schone tuin aan Judocus Daniel van Laren in 1770, die het doorverkocht in 1780 aan Bernhard van Rappard”. Van de kaart (Figuur 3) is af te lezen hoe fraai die tuin eruitgezien moet hebben en kijkend richting de kerktoren van Balgoy zag je fruitbomen, misschien wel vergelijkbaar met wat je nu nog steeds kunt zien (Figuur 1).

Figuur 6 Overlay van de kaart uit de 18e eeuw met een recente Google Earth luchtfoto.

Bronnen:
• 1672 Het Rampjaar in: Canon van Nederland, https://www.canonvannederland.nl/nl/utrecht/onderwijscanon/rampjaar
• Roelofs, M.T., Geschiedenis van Grave (1938) blz. 33
• Schulte, A.G., De Monumenten van Geschiedenis en Kunst, Het Rijk van Nijmegen – Westelijk gedeelte (1982) blz. 302 – 306
• Hora Siccama, T.H., Aantekeningen en verbeteringen op het in 1906 door het Historisch Genootschap uitgegeven Register op de Journalen van Constantijn Huygens den zoon (1915)
• Van Haren, R., Facebookbericht op tijdslijn Stichting Balgoy Beter Bekend,
https://www.facebook.com/BalgoyBeterBekend/posts/3500778750005967
• Prent ‘Slot te Balgoijen’ duikt op in: De Gelderlander (2009)
https://www.gelderlander.nl/maas-en-waal/prent-slot-te-balgoijen-duikt-op~ac4bb9d5/
• Hermans, D.B.M., Middeleeuwse woontorens in Nederland – de bouwhistorische benadering van een kasteelvorm, proefschrift Leiden (2013)
• 2.21.281.10 Inventaris van het archief van M.J. de Man [levensjaren 1765-1838], 1782-1839, Nationaal Archief Den Haag

Wie was Willem Coenraad van Rappard?

Op zoek naar een vroege eigenaar van de grond waarop ik nu woon op de Lingert, stuit ik op een naam die binding suggereert met het kasteel van Balgoy. Op de kadasterkaart van 1832 wordt aangegeven dat de eigenaar van sectie E24 en E25 Willem Coenraad van Rappard is.

Kadasterkaart 1832 met Wijchen sectie E25
Overlay van perceel Wijchen E25 en de huidige situatie op de Lingert

Voordat Balgoy en Keent een gemeente werden, was het een heerlijkheid. De laatste die het kasteel van Balgoy kocht en heer werd van de heerlijkheid was Bernhard van Rappard van Balgoy in 1780. In januari 1798 vond er een staatsgreep plaats en kwam er een nieuwe staatsregeling, waardoor er op het platteland in snel tempo het één en ander veranderde. Het ambt van Maas en Waal kreeg een nieuw bestuur, de heerlijke rechten werden afgeschaft en de heerlijkheden, waaronder Balgoy en Keent, werden formeel opgeheven. Toch bleef de heer van Balgoy en Keent het voor het zeggen hebben. In die tijd deed de heer het bestuur van het dorp samen met afgevaardigden van de inwoners die land hadden, de geërfden. Voor de dagelijkse gang van zaken konden zij een schout en buurmeesters aanwijzen. De laatste heren van de heerlijkheid Balgoy en Keent, Bernhard van Rappard (overleden in 1819) en diens zoon Coenrad Willem Le Mercier van Rappard waren tevens schout in het schoutambt Balgoy en Keent. Jhr. Coenraad Willem was heer van Balgoy en Keent en schout van Balgoy en Keent vanaf 1817, lid raad van Nijmegen vanaf 1819 en heemraad (polderbestuurder) van het land tussen Maas en Waal). Hij overleed op 49-jarige leeftijd te Nijmegen op 16 september 1824.

Ruïne van het Huis tot Balgoy in de twintigste eeuw (Bron: Mien Jacobs Spann).

Dus Coenraad Willem Le Mercier van Rappard overleed in 1824; wie was dan Willem Coenraad van Rappard, die in 1832 nog leefde? Misschien de zoon van Coenraad Willem? Ik heb het antwoord nog niet gevonden, maar het lijkt niet waarschijnlijk. Coenraad Willem Le Mercier van Rappard was gehuwd met Alida Maria de la Court. Na diens dood in 1824 ging het Huis te Balgoij over aan de familie De la Court. Over kinderen die mogelijk erven wordt niet gesproken. De gronden om het kasteel worden dan beheert door Pieter Maria de la Court (1814 – 1872), rentenier te Nijmegen. Later wordt het kasteel doorverkocht aan Louis Machen. Na diens noodlottig overlijden volgde de familie Zuynderhoudt. Bij een openbare verkoop van het huis en de restanten van de inmiddels versnipperde heerlijkheid, werd de kasteelruïne gekocht door Albert Spann, de dorpsveldwachter van Balgoy en Keent. Blijft dus de vraag wie was Willem Coenraad van Rappard, die eigenaar was van het bouwland op de Lingert?

Het Thijnsboek der Vrijheerlijckheyt Balgoy en Keent

Thijnsboek der Vrijheerlijckheyt Balgoy en Keent
Sticker op de voorkant van het boek: “Thijns-boek van D. Paringet, 1703”

De afgelopen weken mocht ik genieten van een belangrijk stuk historisch en cultureel erfgoed; een handgeschreven Balgoys en Keents boekwerk uit het begin van de 18e eeuw. Het is het belastingregister van de ambachtsheer van Balgoy en Keent en bevat informatie over de tijnsen (tienden) en erfpachten die jaarlijks op St. Lambertusdag aan hem verschuldigd waren.

Diederik Paringet, rigter en secretaris van Balgoy, overleden in 1707 (bron: dit thijnsboek)

Het register is samengesteld door Diederik Paringet, rigter en secretaris van Balgoy, in 1703, aan de hand van en volgend op oudere registers en bijgehouden door hem en zijn opvolgers tot ca. 1860. Paringet was niet alleen rigter en secretaris van Balgoy. Diederik Paringet werd op 12 augustus 1657 in Ravenstein Nederduits gereformeerd gedoopt als het eerste kind en de eerste zoon van het echtpaar Robbert Paringet en Margareta Richters. Hij heeft zeker een goede scholing gehad, met name in het Latijn, maar geen universitaire opleiding. Deze informatie komt uit een verhaal van de website van het BHIC. Vanaf juli 1677 was hij notaris in ’s-Gravenhage en vanaf 8 september 1678 oefende hij dat ambt uit in Grave. Hij trad er ook op als advocaat en procureur. Op 23 december 1692 werd Paringet benoemd tot rentmeester van de stad Grave, een functie die hij combineerde met zijn andere taken, waaronder dus ook rigter en secretaris van Balgoy. Wederom blijkt hieruit dat Balgoy en Keent, die aan de Gelderse kant van de Maas lagen, meer georiënteerd waren op Brabant, dan op Gelderland.

Een handgeschreven manuscript uit 1701 van Diederik Paringet over de stad Grave en het Land van Cuijk werd in 1752 in drukvorm uitgegeven (Bron: BHIC)

Paringet heeft zeer veel documenten voor het nageslacht vastgelegd, waarvan velen over de geschiedenis van Grave en het Land van Cuijk gingen; verschillende ervan zijn sindsdien spoorloos zoekgeraakt. Ook de locatie van dit thijnsboek was onbekend, totdat het opdook bij een antiquariaat in Haarlem. Ruud van Haren wist het boek in handen te krijgen en de bedoeling is nu om het complete boek te vertalen en te digitaliseren. Diederik Paringet overleed in functie; op 21 november 1707 werd hij in de Sint Elisabethkerk te Grave begraven.

Van ruim 200 percelen grond in Balgoy en Keent wordt de ligging in 1703 door Paringet omschreven en wordt het jaarlijks ontvangen bedrag genoteerd met de naam van de eigenaar/tijnsplichtige. Daaronder volgen gegevens over de jaarlijkse betalingen en over eigendomsovergangen tot in het midden van de 19e eeuw. Nagenoeg alle tijnsen zijn dan afgekocht, wat feitelijk het einde betekent van een belangrijk Balgoys en Keents tijdperk. Over ca. anderhalve eeuw kan het grondbezit worden nagegaan, zowel door vererving als door verkoop. Het mooie is ook dat bij bijna alle percelen in de periode 1820-1840 het nieuw ingevoerde kadasternummer wordt vermeld, waardoor de registratie naadloos aansluit op het nieuwe registratiesysteem in Nederland dat tot nu toe gebruikt wordt. Dit maakt het boekwerk uniek.

Het thijnsboek bevat ook een beknopt overzicht van historische gebeurtenissen in Balgoy en Keent in de 12e-17e eeuw.

Het boekwerk bevat verder nog een aantal beschrijvingen en jaartallen van gebeurtenissen in de regio, die overgenomen zijn uit “de inleiding tot de Historie van Gelderland” door W.A. van Spaan uit 1805. Ook staat er een lijst in van heren en vrouwen van Balgoy, van rigteren en van secretarissen. Er is ook nog een tijnsreglement in opgenomen. De jaarlijkse tijnsbedragen worden in 1703 nog aangegeven met een aantal hoenen (later 5 stuivers voor een hoen), capoenen (10 stuivers) of eieren ( 2 duiten). Dit thijnsboek is daarom een uniek boekwerk met gedetailleerde historische informatie over de regio, maar ook topografische informatie. Voor genealogisch onderzoek in dit gebied (Balgoy en Keent) in de periode 1700 – 1850 is dit een belangrijke unieke bron.

Met deze pagina in het boek begint de registratie van de ruim 200 percelen grond in Balgoy en Keent waarover tijns is verschuldigd aan de Vrijheeren van Balgoy en Keent

Een voorbeeld van de tijnsregistratie is folio 21. Van het perceel wordt de ligging in 1703 omschreven en wordt het jaarlijks te ontvangen bedrag genoteerd: “Deselve Vol. 11.9 uijt de helft van de vierde hoeve, oost de hoogveltse straat west de maas suijd en noord een merghen zestien en 1/2 duijt 4 3/4 eij”.

Voorbeeld van tijnsregistratie uit 1703.

In de meeste gevallen wordt ook de naam van de eigenaar/tijnsplichtige vermeld. Daaronder volgen gegevens over de jaarlijkse betalingen en over eigendomsovergangen tot in het midden van de 19e eeuw, toen de meeste tijnsen werden afgekocht.

Eigendomsovergangen werden bijgehouden tot in het midden van de 19e eeuw; uiteindelijk het eigendom door aankoop over aan Albertus van Laatum, tuinman te Balgoy.

Over anderhalve eeuw valt het grondbezit op deze wijze na te gaan, zowel door vererving als door verkoop. Bij veel van de percelen is ook rond 1830 het nieuw ingevoerde kadasternummer vermeld. In dit geval Sectie A, nummers 154, 155, 156, 157, 158, 159, 160, 161 en 168. Met de combinatie van beschrijving en het minuutplan van de kadastrale kaart 1811-1832, sectie A, blad 2 is de locatie van het betreffende perceel gemakkelijk te vinden.

Kadastrale kaart 1811-1832: detail van minuutplan Balgoy, sectie A, blad 02 (MIN05015A02)
Met behulp van de Oorspronkelijke aanwijzende tafel (OAT) Balgoy, sectie A, blad 010 (OAT05015A010) is ook de toenmalige eigenaar te traceren, in dit geval Maria van Florenstein
Manus de Valk

Met de kadastergegevens kunnen we het grondbezit nagaan tot ca. 1950. In leggerartikel 731 wordt Albertus Johannes van Laatum nog genoemd en in dienstjaar (dj) 1898 wordt het huis vervangen en opnieuw “gesticht”. Het kadasternummer verandert van A159, naar A592 en als van Laatum het huis verkoopt in dj 1912 heeft het kadastraal nummer A705 gekregen. Het huis werd verkocht aan schipper Hermanus (Manus) de Valk. Het verhaal van Manus de Valk, getrouwd met Maria van Geffen, die zich omstreeks kerstmis 1910 vestigde in Balgoy werd al eerder verteld in deze blog. Dat hij een huis kocht van een zekere Van Lathum in Balgoy, in het bevolkingsregister genummerd C38; later Veldsestraat genoemd kunnen we nu bevestigen. Zoon Ermert nam het winkelboerderijtje over begin jaren veertig en hij ventte met brood en kruidenierswaar. Tot in de zestiger jaren gingen er schoolkinderen snoep kopen voor een stuiver of een dubbeltje. Toen op 1 januari 1969 de BTW werd ingevoerd, besloot Ermert de winkel te sluiten. Op de voorgevel van de woning stond het jaartal 1747 vermeld. In het thijnsboek (Folio 21, no. 13) staat vermeld dat Paulus en Jacomijna Arts op 10 mei 1740 het daarin vermelde perceel overgenomen hebben. De kans is groot dat zij het boerderijtje destijds hebben gebouwd. Met de informatie uit het Thijnsboek der vrije heerlijckheyt Balgoy en Keent kunnen we nu anderhalve eeuw verder terug in de tijd op zoek naar bewoners en hun eigendommen in Balgoy en Keent.

Het winkelboerderijtje van Ermert de Valk.

Samen maken we de goede keuzes: een naïeve gedachte?

stemmen Ballegoijke

In de week van de gemeenteraadsverkiezingen, waarin we in vrijheid kunnen stemmen, wordt op tv en radio druk gediscussieerd en gespeculeerd over wie ons gaan vertegenwoordigen en ook in de kranten en op twitter heeft iedereen een mening. Er zijn natuurlijk mensen die vinden dat het allemaal onzin is of die vinden dat ons politieke en bestuurlijke systeem niet deugt, maar in meerderheid zijn we wel tevreden hoe het in Nederland en in onze gemeente is geregeld. Automatisch denk je dan ook terug hoe het vroeger was.

Hoe het begon, de vroonhoeve

Meanderende Maas

Figuur 1. Meanderende Maas (tekening: Werner Peters)

De meanderende Maas heeft eeuwenlang het lot bepaald van het gebied waar nu Balgoy en Keent liggen. Het dorp Balgoy is heel waarschijnlijk ontstaan op een wat hoger gelegen zandgebied ten westen van Nederasselt, waar de rivier gedwongen werd een ruime bocht naar het noordwesten te maken (loop I in figuur 1). Balgoy lag toen westelijk van de rivier, op Brabantse grond. Toen de rivier in de 11e eeuw van bedding veranderde (loop II in figuur 1, loop III is de huidige situatie) kwam Balgoy aan de noordelijke (Gelderse) kant van de Maas te liggen. In die tijd zullen door de veranderde ligging Balgoy en Keent meer met elkaar te maken gekregen hebben. De kerken, met name het bisdom Utrecht, maar ook het dekenaat Xanten, behorend tot het aartsbisdom Keulen, spelen dan een belangrijke bestuurlijke rol. We weten dat in de 12e eeuw de buurschappen Balgoy en Keent werden ondergebracht in één kerspel. In Balgoy was al lang daarvoor een kerkje gebouwd (ca. 960) en in Keent een kapel. De bisschoppen van Utrecht verwierven veel grond in het gebied en zij inden de tienden (belastingen) in Balgoy voor het Kapittel van St. Jan. Zij bouwden er ook een grote herenboerderij of vroonhoeve. Horigen deden het werk en het bestuur van Balgoy werd geregeld vanuit deze vroonhoeve, die waarschijnlijk gestaan moet hebben in de Holtsehoek (in de buurt van de boerderijen ’t Hof en/of ’t Hold). Een vroonhof, vroonhoeve of vroenhof was in de middeleeuwen de hoeve, van waaruit de omringende landbouwgronden werden geëxploiteerd volgens het puur economische Hofstelsel, dus voordat er in Balgoy sprake was van een meer feodaal, politiek systeem, de Heerlijkheid. Wanneer die herenboerderij definitief verdween, is nog niet duidelijk. Het kerkje in Balgoy bleek al snel te klein, want al in diezelfde 12de eeuw werd het vergroot. De kanunniken van het Kapittel van St. Jan, die de gronden in bezit kregen en exploiteerden, gaven de kerk de naam St. Jan. Johannes de Doper was hun beschermheilige.

Het kasteel, de Heerlijkheid

gld_balgoij_prent

“’t Slot te Balgoijen”

De streek rond de buurschappen Balgoy en Keent was een grensgebied tussen een aantal grotere en kleinere heersers. Niet zo’n stabiele situatie dus. Het eerste grote conflict ontstond toen de bisschoppen van Utrecht in hun streven naar macht werden gedwarsboomd door de heren van Cuijk, die door huwelijk recht meenden te hebben het gebied. Utrecht won, maar het duurde niet lang of het Kapittel kreeg te maken met de graven van Kleef, die invloed wilden in het (nieuwe) Gelderse gebied. Het leidde er toe dat in 1247 Kleef eenderde van het gebied afdwong. De graven van Kleef bouwden in de 14de eeuw een kasteel en Claes Trouweloos werd de eerste kasteelheer, die het kasteel en de Heerlijkheid Balgoy en Keent van hen in leen kreeg. Trouweloos deed zijn naam eer aan, want in 1367 pleegde hij verraad en liet hij Gelderse troepen toe in het kasteel. Na een aantal jaren namen de Graven van Kleef wraak en in het begin van de 15de eeuw werden Balgoy en Keent op gruwelijke wijze door Kleefse troepen afgestraft. Tot het einde toe (1838) zijn Balgoy en Keent Kleefs leen gebleven.

gemeente Balgoy en Keent

Vanaf 1825 trad er in de plattelandsgemeenten rondom Nijmegen een nieuw reglement in werking dat voorzag in een gemeenteraad en een college. Het college werd gevormd door de burgemeester (in het begin nog schout genoemd) en één of meer assessoren. De burgemeester werd door de koning benoemd, de gemeenteraad door de gedeputeerde staten en de assessoren door de gouverneur. Mr. Pieter Hendrik de la Court (1778-1848) was in 1838 schout van de gemeente Balgoy en Keent. Het Rivierpolder reglement van datzelfde jaar maakte in feite een definitief einde aan de heerlijkheid Balgoy en Keent. Toch blijft ook in de jaren daarna de naam heerlijkheid Balgoy en Keent een veel gebruikte naam voor de zelfstandige gemeente. De la Court werd op zijn verzoek bij Koninklijk Besluit van 29 juli 1830 eervol ontslag verleend en Henricus van Lunen werd tegelijkertijd benoemd tot “heer van de heerlijkheid”. Zelfs in 1840 wordt bijvoorbeeld nog gesproken van de gemeenteraad van de heerlijkheid Balgoy en Keent. Desalniettemin is er dan dus wel een gemeenteraad; de eerste stappen naar een democratie.

grondwet_1848_nl_hana_2_02_04_514_01.jpg()(mediaclass-landscape-.2c9d6c4cb847ce456d63dfe410bfcb2d0db5e937)(crop-+1221+1144)(2D0596B56D6A7BBD0E523A4AC72F7CD2)

In 1848 ondertekende Willem II een grondwet die zijn invloed sterk beperkte. Minder macht voor de koning en meer voor kabinet en parlement: de grondwet van 1848 wordt het begin van onze democratie genoemd.

De Grondwet van 1848 en de daarop gebaseerde Gemeentewet van 1851 maakten een einde aan de wettelijke verschillen tussen stad en platteland. Iedere gemeente kreeg drie bestuursorganen: de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester. De raadsleden werden voortaan direct gekozen door stembevoegde inwoners, de gemeenteraad koos uit zijn midden de wethouders en de burgemeester werd benoemd door de koning. Alle heerlijke rechten met betrekking tot voordracht van functionarissen vervielen. Verder schreef de Gemeentewet iedere gemeente een gemeentesecretaris voor, de hoogste gemeentelijke ambtenaar, die als taak had de drie bestuursorganen te ondersteunen. Voor de bestuurlijke verhoudingen was de voornaamste ontwikkeling dat het kiesrecht gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw voor een steeds grotere groep inwoners werd opengesteld, totdat in 1917 het algemeen kiesrecht voor mannen werd ingevoerd en in 1919 ook voor vrouwen.

In 1850, nadat Henricus van Lunen eervol was ontslagen, werd Gerard Mauritz Koentz, die ook burgemeester van Wijchen was, burgemeester van Balgoy en Keent. Het gemeentearchief van Balgoy en Keent werd ook overgebracht naar Wijchen. Twee jaar later kwam op 13 april 1852 in de gemeenteraad de fusie van Balgoy en Keent met de gemeente Wijchen ter sprake, maar er werd na rijp beraad voor zelfstandigheid gekozen.

IMG_7226

De ambtsketen van de burgemeester van Balgoy en Keent (eigendom familie de Bruijn).

In 1856 werd Johannes de Bruijn, een rijke hereboer uit Balgoy, burgemeester van de gemeente Balgoy en Keent. Een nieuwe periode met veel veranderingen in de wereld, in Nederland en in de gemeente Balgoy en Keent. Johannes de Bruijn werd geboren op 05-11-1821 te Keent, overleden op 06-05-1893 te Balgoy op 71-jarige leeftijd. Hij krijgt in de raadsvergadering van 13 november 1886 met algemene stemmen eervol ontslag. Hij wordt opgevolgd door zijn zoon Wilhelmus Joannes Cornelius de Bruijn. Die werd geboren op 16-09-1858 te Balgoy en is overleden op 30-04-1931 te Balgoy op 72-jarige leeftijd. Hij was burgemeester-secretaris van Balgoy en Keent tot 1923. De periode van de twee laatste burgemeesters van Balgoy en Keent kent in basis de gemeentelijke bestuursstructuur, die we nu nog hebben.

In 1923 werd de gemeente ingedeeld bij Overasselt. Keent werd door de maaskanalisatie in de tweede helft van de dertiger jaren van de vorige eeuw afgescheiden en in 1958 definitief ingedeeld bij het Brabantse Ravenstein en later Oss. Na een raadplegend referendum over de gemeentelijke herindeling sprak in 1977 een meerderheid van het dorp zich uit voor aansluiting bij de gemeente Wijchen wat in 1980 ook gebeurde.

Balgoy en Wijchen

Balgoy is nu een van de kerkdorpen, die deel uitmaakt van de gemeente Wijchen. Volwaardig deel uitmakend van en geïntegreerd in de gemeente, maar nog steeds herkenbaar een eigenstandige en soms ook een beetje eigenzinnige leefgemeenschap. Een open, tolerante en betrokken gemeenschap met een rijk verenigingsleven en vele vrijwilligers, die zich ook politiek durft uit te spreken en keuzes durf te maken. Het referendum van 1977 is een duidelijk voorbeeld met een opkomstpercentage van 97%, waarbij 57% zich uitsprak voor aansluiting bij de gemeente Wijchen. De opkomstpercentages bij landelijke en gemeentelijke verkiezingen zijn altijd hoog, hoger dan de landelijke gemiddelden en Balgoyse mensen waren actief als gemeenteraadslid of wethouder.

Dat was zo in de tijd dat Balgoy onderdeel uitmaakte van de gemeente Overasselt, maar ook in de afgelopen bijna dertig jaren dat Balgoy deel uitmaakte van de gemeente Wijchen. Een sprekend voorbeeld is Ber van Haren, die eind jaren tachtig politiek actief wordt als PvdA lid en uiteindelijk drie termijnen Wijchens wethouder was, met als portefeuilles o.a. Ruimtelijke Ordening, Werkgelegenheid, Onderwijs, Sociale Zaken en Welzijn en Sport. Op WijWijchen.nl is een Wie-Kent-hem-niet buurtverhaal over hem te vinden. Ik weet zeker dat de geschiedenis en ontwikkeling van de omgeving waarin de Balgoyse mensen geleefd en gewerkt hebben, bijgedragen heeft aan de sociale en bestuurlijke betrokkenheid, die zo herkenbaar is in de Balgoyse cultuur.

Gemeenteraadsverkiezingen 21 maart 2018

GR2018iedereen zal begrijpen, dat ik niet bang ben dat Balgoyse mensen hun stem niet zullen gebruiken voor de gemeenteraadsverkiezingen 2018. Als je naar de ontwikkeling kijkt van de kleine leefgemeenschap, dan twijfel ik ook niet over de uitslag; dat zal uiteindelijk de goede uitslag zijn, want de meerderheid van de mensen kon er zich in vinden. Misschien ben ik naïef, maar ik ben er van overtuigd dat de Balgoyse mensen in de middeleeuwen en gedurende de laatste tweehonderd jaar steeds de juiste keuzes hebben willen,  kunnen of mogen maken. Anders was Balgoy niet geworden wat het nu is. We lieten en laten ons leiden door een aantal kernwaarden zoals democratisch, respect, gelijkwaardig, rechtvaardig, duurzaam, kwaliteit van het leven, transparant en integer. Waarschijnlijk niet toevallig dat deze kernwaarden ook in een van de verkiezingsprogramma’s van de Wijchense partijen voor komen. Waarden, kwaliteiten, die richting geven aan ons denken en die de keuzes beïnvloeden van ons handelen, die ons gebracht hebben waar we nu zijn en die ons in de gelegenheid zullen stellen ons nog verder te ontwikkelen.