Een gebeurtenis met impact in de krant van februari 1931

Het is een spannende tijd! Het begon met de stikstofcrisis, de maximum snelheid op snelwegen is naar 100 km per uur gegaan en de coronacrisis heeft ons leven helemaal op de kop gezet. De impact van de coronaviruspandemie op ons leven is ongekend en heeft een wereldwijde crisis veroorzaakt. Het is niet onwaarschijnlijk dat Balgoyse mensen over 100 jaar nog over de gebeurtenissen in 2020 zullen praten.

Ik weet dat het bericht in de Maasbode van zaterdag 28 februari 1931 op pagina 9 in geen enkele verhouding staat tot de recente gebeurtenissen, maar toch denk ik dat niemand zich toen heeft gerealiseerd wat voor impact het beschreven besluit uiteindelijk zou hebben. In de jaren twintig van de vorige eeuw waren de overstromingen, de waterbeheersing en de rechtlegging van de Maas zaken die de mensen bezighield. De Maasbodejournalist melde dat de krant er op attent gemaakt was, dat “in het definitief plan tot rechtlegging der Maas de eerste diepe bocht beneden Grave op een andere wijze wordt afgesneden, dan in het voorontwerp van Dr. C. W. Lely was voorzien. De nieuwe bedding zal niet ten Noorden van Balgooy worden gegraven, zooals wij op gezag van zijn uitvoerig rapport aannamen, maar men zal den kortsten weg kiezen ten Zuiden van dit kerkdorp, zoodat de parochie Balgooy en Keent in twee ongelijke helften zal worden verdeeld.” Waar dit besluit in de afgelopen negentig jaar toe geleid heeft is nu goed zichtbaar als je boven aan de dijk staat bij de Hoeveweg in Balgoy.

De Maas gezien vanaf de dijk aan de Hoeveweg in Balgoy (bron: Werner Peters)

De reden dat de Maas, o.a. bij Balgoy gekanaliseerd moest worden kent een hele lange geschiedenis. In de oudste tijden was de Maas een zelfstandige rivier, die stroomde, waar op het einde van de negentiende eeuw de Bergse Maas is gegraven. De Maas stroomde door de toen nog niet bestaande Biesbosch en mondde uit in een zeearm die thans ook niet meer bestaat. Op het einde van de dertiende eeuw werd de Maas met de Waal verbonden om de Waal te ontlasten, met als gevolg zeer hoge waterstanden het hele jaar door. In de dertiende en veertiende eeuw werd begonnen met de aanleg van dijken langs de Maas, maar daarmee was de wateroverlast niet ten einde. De rivierstanden werden zelfs nog hoger. Het water moest binnen de dijken zijn weg vinden, wat extreem hoge waterstanden met zich meebracht en op die plaatsen waar nog geen of slechte dijken waren aangelegd, stroomde het water weer als vanouds door het lage Brabantse poldergebied naar de Dieze en vandaar weer de Maas in. Ook de dijken aan de Gelderse kant van de Maas kregen het vaak zwaar te verduren. Toen in 1473 Karel de Stoute Brabant en Gelderland in zijn macht kreeg, liet hij aan de Brabantse kant van de Maas, boven Grave, twee gedeelten onbedijkt, de zogenaamde overlaten. De Brabanders, die in het Maaskantgebied woonden, waren het hier vanzelfsprekend niet mee eens en concludeerden dat Gelderland belangrijker werd gevonden dan Brabant.

Door de jaarlijkse overstromingen was het Maaskantgebied een prachtige buffer voor Gelderland en Holland, tegen eventuele vijanden, die het op Noord-Nederland hadden gemunt. De Brabantse Maaskant werd dus opgeofferd in het belang van Holland en Gelderland. De Overlaten werkten vrijwel elk jaar, en in een aantal jaren leidde het zelfs tot grote rampen. Het duurde tot dik in de 19e eeuw voordat er maatregelen kwamen. Als laatste van die maatregelen restte nog de sluiting van de Beerse Overlaat. Toen daar in 1904 een positief besluit over werd genomen, tekende de provincie Gelderland protest aan. Gelderland was bang dat als de dijken aan de Brabantse kant verzwaard zouden worden bij hoog water de dijken aan de Gelderse kant het zouden begeven. In 1919 stelde de minister van Waterstaat een commissie in, de Commissie Jolles, die met adviezen moest komen die tot verbetering van de toestand moesten leiden ook aan de Gelderse kant.

Op 31 december 1925 ’s morgens om 07.30 uur sloeg het hoge water een gat van 100 meter in de maasdijk bij Nederasselt waardoor in een korte tijd een heel groot gedeelte van het Land van Maas en Waal onderliep (Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen).

Op basis van het advies van die Commissie Jolles werden de hoogtes van de dijken aangepast, maar in de nacht van 6 op 7 maart 1923 ging de Overlaat weer werken. Men herstelde de schade en het zou nu toch wel even rustig blijven. Helaas, ook in 1924 overstroomde de Maas aan de Brabantse kant. En dat was niet de laatste keer. De overstroming van 1924 betekende niets in vergelijking met de ramp in de winter van 1925-’26. In de Brabantse rivierdijken ontstonden veertien doorbraken en diverse dorpskernen kwamen meters diep in het water te staan. Ook de Gelderse Maasdijken braken door, zodat het gehele land van Maas en Waal overstroomde. Iedereen sprak erover en er moest iets gebeuren! Dr. Ir. Lely kreeg direct opdracht een zodanig plan op te stellen dat de waterstanden van 1926 verleden tijd zouden zijn. Reeds op 21 juli 1927 bracht Lely zijn lijvig rapport uit, waarin de volgende uit te voeren werken werden voorgesteld: kanalisatie van de Maas van Grave tot de Blauwe Sluis in Gewande waarbij vijf bochten in de Maas zouden worden afgesneden, verbreding van het zomerbed van de Maas van 75 tot 100 meter, bouw van de stuw bij Lith om te zorgen dat de Maas ook in de zomer bevaarbaar zou blijven en het dichten van de Beerse Overlaat tot zogenaamde bandijkhoogte (+ 12,60m NAP). De letterlijke tekst uit het rapport over de bochtafsnijding bij Balgoy luidde:

Tusschen Grave en Blauwe Sluis kan de rivier zeer belangrijk door afsnijding van bochten verkort worden, op de wijze als behandeld in Hoofdstuk IV van het Verslag der Commissie-JOLLES en globaal aangegeven voor de ontworpen verbetering Grave—Lith, op de bij dat Verslag behoorende bijlage 11. Doordat na de in Januari 1926 opgedane ervaring van een belangrijk grooter maximum afvoer en lagere hoogste standen dient te worden uitgegaan, moet wat de aan te brengen verbetering betreft het plan der Comissie-JOLLES echter belangrijk worden uitgebreid. In Hoofdstuk VI is reeds aangetoond, dat zelfs een voortzetting der rivierverbetering van Lith tot Blauwe Sluis nog niet voldoende zal zijn en de Maas beneden Blauwe Sluis en ten deele ook de Bergsche Maas nog in het verbeteringsplan moeten worden opgenomen. Omtrent de tusschen Grave en Blauwe Sluis aan te brengen bochtafsnijdingen, welke op bijlage 15 in rood zijn aangegeven, kan het volgende worden medegedeeld. Tusschen Grave en Ravenstein kan, bij den zeer kronkeligen loop der rivier, alleen door afsnijding van bochten binnen de bandijken, geen noemenswaardige verbetering worden tot stand gebracht, zoodat hier een bochtafsnijding is ontworpen door het land heen. De meest aangewezen richting voor de nieuw te graven rivier zou zijn, door van de thans in aanbouw zijnde stuw beneden Grave af met een flauwe bocht door den polder van Balgoy te gaan. De nieuwe rivier zou dan echter door de R.K. kerk te Balgoy komen en de vrijwel één geheel vormende buurtschappen Balgoy en Keent in tweeën snijden. Dit meest voor de hand liggende tracé kan om deze redenen, die een zeer kostbare onteigening zouden vorderen, behalve nog de noodzakelijkheid om ter sparing van de kerk in de doorgaande bocht nog een S-bocht bezuiden de kerk te maken, niet voor uitvoering in aanmerking komen. De afsnijding tusschen Grave en Ravenstein is daarom ontworpen benoorden de bebouwing van Balgoy omgaande, zoodat alleen bij de doorsnijding van den weg van Neder-Asselt naar Balgoy een aantal woningen zullen moeten verdwijnen, doch verder vrijwel geen bebouwde eigendommen zullen worden geraakt. Ook kan het thans in aanbouw zijnde gemaal bij de Balgoysche sluis behouden blijven voor de bemaling van het afgesneden gebied. Het door de nieuwe rivier van Gelderland afgesneden land zal door afdamming van de bestaande rivier met het in noordwestelijke richting loopende dijksvak van den Marspolder in verbinding worden gebracht, zoodat vandaar, via de in aanbouw zijnde brug over de stuw beneden Grave, de verbinding met Gelderland, zonder dat een pontveer noodig is, behouden blijft. De lengte van de nieuwe rivier benoorden Balgoy is ongeveer 1 K.M. grooter dan van een afsnijding tusschen Balgoy en Keent, doch levert nog een rivierverkorting tusschen Grave en Ravenstein op van ongeveer 5,3 K.M. volgens de as der rivier en ruim 7 K.M. van de gestrekte lengte. Deze zeer belangrijke verkorting van ruim 40 % heeft toch nog tot gevolg, dat aan het benedeneinde bij Niftrik en Ravenstein de hoogste stand bij maximum afvoer, uitgaande van een stand van 10,80 M, + N.A.P. te Grave, nog even hoog zal blijven als de stand die daar in Januari 1920 is bereikt.

Nog voordat Lely’s plan van 21 juli 1927 bij de inwoners van Balgoy en Keent bekend was en hen zou doen beseffen dat ze Brabander zouden worden verscheen het krantenbericht in de Maasbode.

Bericht uit de Maasbode van zaterdag 28 februari 1931. Hierin wordt melding gemaakt dat de doorsnijding van de bocht in de Maas dwars door Balgoy en Keent gaat lopen.

Toen werd dus alles anders. Alleen Keent kwam te liggen in de provincie Noord-Brabant en Balgoy bleef Gelderland. Het was dus begin 1931 dat voor het eerst in de media werd gesproken over de scheiding van Balgoy en Keent. Binnen tien jaar was de scheiding een feit. Wat ik wel zou willen weten is hoe, wanneer en door wie het definitieve besluit is genomen om af te wijken van Lely’s plan. Een onderzoek in het archief van de gemeente Overasselt en de raadsstukken uit de periode 1926-1931 zal zeker informatie opleveren. De impact moet gigantisch geweest zijn voor jong en oud, voor de inwoners uit Keent, maar ook voor de inwoners uit Balgoy. Een simpel voorbeeld is het feit dat Keentse kinderen niet meer in Balgoy naar school konden gaan. Ben benieuwd hoeveel kinderen die nu op de Roncallischool zitten dit feit nog kennen. Tegelijkertijd ben ik benieuwd hoeveel kinderen op de Roncallischool in 2120 nog kunnen vertellen over de gevolgen van de coronaviruspandemie van 2020.

Een van de laatste keren dat de kinderen uit Keent de school in Balgoy bezoeken. Herkenbaar vlnr Jo Zwartjes, Rien Gerrits, Piet Willems, Gerrit Schamp, …. Schamp, Nol van Zwam, Jan (?) Gerrits, Toon Zwartjes, Harrie Schamp, e.o. Fie en Dora van Zwam, 3e van links Bart Gerrits. Links op de achtergrond het huis van Joaneske Arts, in 1940 bij het uitbreken van de oorlog door de Nederlandse militairen afgebrand. Achter het huis de school en op de achtergrond de “nieuwe” kerk met de originele torenspits.

Lars van Haren verhuist van Keent naar Nederasselt

Deze blog gaat over een e-mail die ik ontving met vragen over Balgoyse en Keentse voorouders. De vragensteller, Leo van Stippent, weet dat zijn grootvader Laurentius Petrus van Haren in 1880 is geboren in Keent op nummer B9 en zijn grootmoeder, Francina Derks in 1883 in Keent op B28. In 1909 is hun oudste zoon geboren in Nederasselt 150. Hun derde kind in 1911 in Nederasselt 145. De moeder van Leo, de tiende is eveneens geboren in Nederasselt 145. In 1930 overlijdt zijn opa in Nederasselt 146. In 1936 verhuizen ze naar Wijchen. Leo’s moeder heeft altijd aangegeven dat ze uit Keent kwam en in Nederasselt naar school ging. Leo heeft ook gelezen dat een deel van Balgoy onder Nederasselt viel.
Bij hem roept dit een aantal vragen op. Is er regelmatig een nieuw huisnummer toegekend of is het gezin enkele keren verhuisd? Is er meer bekend over hun huis of huizen?

vlnr. : Frans, Ciska en Nel van Haren. Drie van de kinderen van Lars van Haren en Sien Derks. De foto is gemaakt in Keent.

De zoektocht van Leo begint in de jaren 80 van de 19e eeuw. Toen werden zijn grootvader en grootmoeder geboren in Keent, op B9 en B29, respectievelijk. In die tijd vormden Keent en Balgoy samen een gemeente en die was ingedeeld in twee wijken. Wijk A begon bij het kasteel van Balgoy en volgde de Molenweg ongeveer tot aan de Keentse Molen. Wijk B begon waar wijk A ophield en besloeg Keent en eindigde in de Hoogveldsestraat. In 1840 heeft de gemeente Balgoy 69 huizen met 406 inwoners, verdeeld in het gelijknamige dorp 29/171 (= huizen/inwoners) en de buurtschap Keent 40/235 (opmerkelijk dat de buurtschap Keent in die tijd groter was dan de hoofdplaats van de gemeente!). Tegenwoordig heeft het dorp ca. 280 huizen met ca. 700 inwoners. De geboorteaktes van beide grootouders uit de burgerlijke stand van de gemeente Balgoy en Keent vindt u hieronder.

Geboorteakte gemeente Balgoy en Keent, geboren Laurentius Petrus van Haren in Keent op 22-2-1880, Wijk B no 9
Geboorteakte gemeente Balgoy en Keent, geboren Francina Wilhelmina Derks in Keent op 24-10-1883, Wijk B no 28

De boerderij van Johannes van Haren, de vader van Laurentius Petrus van Haren stond aan de Molenweg, Wijk B (Keent), nr. 9. Johannes overlijdt op 31 december 1885. Hij was wethouder, landbouwer, tapper, winkelier en karman (Bevolkingsregister Balgoy en Keent 1860-1890). In mei 1886 kwam Johannes Kersten er wonen, landbouwer die er ook een winkel en café runde. Het café van Kersten is bekend geworden door de Keentse kermis die er jaarlijks was. Het wijknummer B9 werd in de tussentijd wel B10(C).

Bevolkingsregister Balgoy en Keent 1890 – 1923 met daarin de informatie dat Johannes Kersten vanaf 1886 in Wijk B nr 10C is komen te wonen. Ook is te zien dat B9 is doorgestreept.

In het bevolkingsregister van Balgoy en Keent 1890 – 1923 is ook echtgenote van Johannes van Haren, Johanna van Aanhout terug te vinden op blad 2. Zij woont dan ook nog steeds in Wijk B nr 10. In juli 1906 verhuizen Laurentius Petrus, hij is dan al 26 jaar, en zijn moeder Johanna van Aanhout naar de gemeente Overasselt (Bevolkingsregister Balgoy en Keent 1890-1923). Francina Wilhelmina (Sien) Derks en Laurentius Petrus (Lars) van Haren zijn op 23-04-1908 getrouwd in Balgoy.

De weduwe van Johannes van Haren, Johanna van Aanhout blijft, na het overlijden van haar man, in Keent wonen op B10 met twee zonen en twee dochters. In 1906 vertrekt ze uit Keent en gaat naar de gemeente Overasselt.

Het huis, weliswaar danig verbouwd, staat er nog steeds (zie Google Maps). Het geboortehuis van Francina Wilhelmina Derks was helemaal aan de andere kant van Keent te vinden, aan Den Dijk. Dit huis is volgens het kadaster in dienstjaar 1930 gesloopt en het perceel in 1935 verkocht aan de Staat der Domeinen. Nu is er op die plek geen bebouwing meer.

Google Maps kaart waarin toenmalige Wijk B nr. 9 (Gemeente Balgoy en Keent) is aangegeven
huwelijksakte gemeente Balgoy en Keent, getrouwd Laurentius Petrus van Haren en Francina Wilhelmina Derks

Johanna van Aanhoud, de moeder van Lars van Haren is op 9 juli 1909 ’s morgens om 9 uur “in nummer 150 te Nederasselt” overleden volgens de overlijdensakte van de burgerlijke stand. Ook het eerste kind van Lars en Sien wordt in 1909 geboren op nummer 150. We mogen dus wel aannemen dat het gezin van Keent naar Nederasselt, nummer 150 is verhuisd. Uit het bevolkingsregister van Overasselt, bevolking 1880 – 1900 (klapper) kunnen we opmaken dat de hoge nummers van Nederasselt bij het buurtschap Hoogveld horen, dat aan Keent grensde. In 1840 heeft de gemeente Overasselt 211 huizen met 1.500 inwoners, verdeeld in het gelijknamige dorp 21/146 (= huizen/inwoners) met de buurtschappen Schoonenberg 34/240, Worsum 23/161 en De Heide 25/207 en dorp Nederasselt 19/134 met de buurtschappen De Molen 25/173, Eindsche of Einsche 34/223 en Hoogveld 30/216. Opvallend is dat de buurtschappen destijds qua huizen- en inwonertallen groter waren dan de dorpen waaronder zij vallen.

We weten dat Laurentius Petrus van Haren in 1906 is verhuisd naar Nederasselt. Toch wordt hij al wel genoemd in het bevolkingsregister van Overasselt 1880-1900. Hij zou in wijk B (Nederasselt) wonen op nummer 145. Het bladnummer 349 is alleen nog niet beschikbaar.

Jammergenoeg is het bevolkingsregister van Overasselt na 1900 nog niet digitaal beschikbaar, dus is verder zoeken nog lastig. Waarom Laurentius Petrus van Haren al wordt genoemd in het bevolkingsregister 1880-1900 is niet duidelijk en onlogisch en dat hij dan op nummer 145 staat geregistreerd en niet op nummer 150, suggereert dat, net als in Balgoy en Keent, ook in Nederasselt de huisnummering soms verwarrend kan zijn. Dat Laurentius Petrus in 1930 overlijdt in Nederasselt op nummer 146 maakt het nog verwarrender. Misschien dat iemand die bekend is met de historie van Nederasselt meer weet over de woonlocatie van het gezin Laurentius Petrus van Haren.

Overlijdensakte van Laurentius Petrus van Haren in 1930

Op de website van de Historische Vereniging Tweestromenland, bij de werkgroep Maas en Waalse Geslachten staat een parenteel van Sigbertus van Haren. Hierin komen de hierboven genoemde families ook voor.

In memoriam Ries van Haren 1938 – 2019

Ries van Haren (1938 – 2019), met Landleven tussen de dijken (foto: de Gelderlander 2007)
Rouwadvertentie Ries van Haren

Op Zondagmorgen 3 november werd ik gebeld met het bericht dat Ries van Haren was overleden, een dag nadat hij uit het ziekenhuis was ontslagen en een plek had gekregen in verpleeghuis Waelwick in Ewijk. Een echte Balgoyse mens was toch nog onverwachts overleden. Ries was niet alleen Balgoyse mens en boer, maar ook een echte familiemens, echtgenoot, een vader, een opa, die boven alles zijn familie om hem heen wilde en met iedereen vriend wilde zijn. Hij vond het ook geweldig dat de boerderij omgebouwd was tot een mantelzorgwoning, hoewel hij die zelf zo nooit genoemd heeft.

Kaft van het eerste boek van Ries bij gelegenheid van 100 jaar Boerenbond in Nederasselt, Balgoy en Keent

Naast zijn boer zijn, was Ries van Haren ook de dorpsdichter en verhalenschrijver en verteller van de Balgoyse en Keentse geschiedenis en taal. Ries kende de agrarische streekgeschiedenis als geen ander. Hij probeerde op zijn eigen wijze zijn gevoelens en gedachten te verwoorden over de tijd die hij in Balgoy en Keent heeft geleefd of door overlevering heeft meegekregen. Dat blijkt niet alleen uit zijn gedichten, maar ook uit de zes boeken die hij heeft geschreven. In 1996 verscheen “Veel gewonnen veel verloren”, een boek met informatie en anekdotes over de dorpen Balgoy, Keent en Nederasselt. Aanleiding en motivatie voor dit boek was het 100-jarig bestaan van de N.C.B., de Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond. In 1999 kwam “Ballegoyse minsen – Een eeuw Balgoijse sfeer tussen de Loswal en de Bremdenmeer” uit, een fotoboek met nagenoeg alle mensen, die in het Millenniumjaar 2000 in Balgoy woonden.

Het boek “Ballegoyse minsen” uit 1999

Enkele jaren later, in 2007, verscheen de gedichten- en verhalenbundel “Landleven tussen de dijken” over het boerenleven in de streek waar de auteur is opgegroeid. Zeven jaar geleden, in 2012, verscheen “Oude ploegvoren, een boekwerkje met veel spreekwoorden en gezegdes, limericks en gedichten. “Geleefd Verleden – Balgoy in de 20e eeuw” verscheen in 2014 en vertelt over Balgoyse mensen, die in de vorige eeuw in het dorpje aan de Maas geleefd hebben en op het kerkhof aldaar zijn begraven. Met foto’s, waar wie gewoond heeft, gedachtenisprentjes en een levensverhaal van de betrokkenen in dichtvorm wordt hun herinnering levend gehouden.

“Marga’s huwelijk met de Heer van Wiechen”, Ries’ laatste boek

Ries van Haren schreef, volgens zijn eigen zeggen, zonder moeilijke woorden. Met de gedichten en verhalen probeerde hij op zijn eigen wijze zijn gevoelens en gedachten te verwoorden. Teksten met nostalgie en maatschappelijke betrokkenheid, maar bovenal met optimisme en humor. In zijn laatste boek, waarin eerder in krant en carnavalsgids gepubliceerde verhalen over de Ballegoijse Marga die trouwt met de Heer van Wiechen herschreven zijn, herkennen we die elementen zeker terug, maar het is ook een unieke kijk op de hele Balgoyse gemeenschap en de relatie met de gemeente Wijchen, die formeel begonnen is na een gemeentelijke herindeling in 1980. Ries koos voor een andere vorm dan zijn eerdere boeken, een versmelting van fictie en feitelijke gebeurtenissen. Verder bevat het boek een groot aantal foto’s van Paul Berben die een beeld geven van het maaslandschap in de periode die door Ries in het boek beschreven wordt en dat hem zo dierbaar was.

De liefde van Ries voor Balgoy en zeker ook voor Keent is gemakkelijk te verklaren. In januari 2018 schreef ik daarover al eens een blog naar aanleiding van een uitgave van Tweestromenland (174, 12-2017), het tijdschrift van de Historische Vereniging voor het Land van Maas en Waal en het Rijk van Nijmegen West. Daarin stond een artikel van Hans Eerdmans over de geschiedenis van Keent. Het artikel eindigt met een gedicht van Ries van Haren, dat gaat over de Keentse mensen die er in de eerste helft van de 20e eeuw gewoond hebben, het merendeel was keuterboer.

Bertuske Kocken en Mieke Coelen uit Keent

Ries beschrijft in dichtvorm op zijn eigen wijze hoe Bertuske Kocken en diens vrouw Mieke daar hebben geleefd en gewerkt. In de allerlaatste regel van het gedicht verklapt hij dat hij familie is van Bertuske:

“En zo kun je dit gedichtje lezen of bekieke
Gemaakt door een nakomeling van Bertuske en Mieke”

Bertuske Kocken was de opa van Ries, van zijn moeders kant. Deze familierelatie verklaart ook de gedetailleerde beschrijving van “het keuterijtje van anderhalve morgen groot”. Ook Ries’ vader, Jo van Haren, heeft in Keent gewoond. De familie van Haren en de familie Kocken zijn in de zomer van 1936 verhuisd naar Balgoy. Jo van Haren trouwt met Drieka Kocken op 9 mei 1931 in Overasselt (op 13 mei in Balgoy in de kerk) en ze gingen in Balgoy wonen. Ze kregen samen negen kinderen. Ries, Marinus Johannes van Haren, werd geboren in Balgoy op 26 juni 1938. Hij trouwde op 4 juni 1966 met Gerarda Maria Elisabeth (Ger) de Kleijn en trouwde in op de Houtsestraat, waar Jo en Drieka toen woonden. Hij nam het bedrijf over in 1966 toen Jo 65 jaar oud werd en heeft er de rest van zijn leven gewoond en gewerkt.

Het gezin van Jo en Drieka van Haren – Kocken, vlnr.: Marietje, Joke, Lambert, Jo, Tilly, Ries, Drieka, Dinie en Riek van Haren, Houtsestraat op 13 mei 1956
Ries van Haren (rechts) tijdens vergadering van heemkundekring “Pagus Balgoye”

Ries van Haren was zoals gezegd een maatschappelijk betrokken Balgoyse mens, die enorm hield van zijn boerenleven en de natuur om hem heen. Maar hij is ook lid van het school- en kerkbestuur geweest, hielp als kerkhofwerker om het kerkhof en de omgeving van de kerk schoon te houden, hij was tot het laatst toe actief in het gemengd zangkoor en een trouw lid van de heemkundekring “Pagus Balgoye”. Wanneer dat bij opruimen of opbouwen van pas kwam, bracht Ries zijn tractor mee. Harmonie Kunst en Vriendschap kon altijd terecht bij Ries in de Holtse Hoek als ze opslagruimte nodig hadden voor rommelmarktspullen.

“Ik ben blij de ge al zoveul van mijn geleerd hed” zei Ries bij de boekpresentatie van mijn Balgoyse boek “Boeren, burgers en buitenlui” tijdens Open Monumenten Dag 2017 bij de Oude Toren. Het was een eer en mijn grote wens dat Ries als geboren en getogen Balgoyse mens bij die boekpresentatie een exemplaar uitreikte aan nieuwe inwoners van Balgoy. Het zijn mensen als Ries, die voorbeeld zijn voor Piet’s Blog. De weblog over Balgoy en de Balgoyse minse.

Ries reikt als geboren en getogen Balgoyse mens een exemplaar uit van “Boeren, burgers en buitenlui” aan de nieuwe inwoners van Balgoy, Antonio en Carolina Gasquez

Ries van Haren, die we gekend hebben als familie of als Balgoyse mens, is overleden. Sindsdien klinkt zijn naam meer dan ooit. Op onverwachte momenten duikt de naam op: als het gaat over iets wat hij graag deed, of bij activiteiten in ons dorp. We koesteren de naam met herinneringen. Elke dag zijn er wel herinneringen, ze komen vanzelf bovendrijven. De ene keer doordat je iets persoonlijks tegenkomt, de andere keer doordat je het er samen met anderen over hebt. Sommige dingen ben je misschien vergeten of heb je verder weggestopt – oh ja, nu je het zegt, dat was ook zo…. Iedereen heeft zo zijn eigen herinneringen. Herinneren wordt een actief werkwoord als het ons lukt, onze herinneringen levend te houden. “Herinneren” wordt dan “Gedenken”. “Gedenken” is: gaande houden, bij het nu betrekken, niet verloren laten gaan. Dat is wat we moeten doen, Ries blijven betrekken bij het leven, bij ons leven. Zijn gedichten en boeken zullen daarbij zeker helpen.

Gedachtenisprentje Ries van Haren

Het Thijnsboek der Vrijheerlijckheyt Balgoy en Keent

Thijnsboek der Vrijheerlijckheyt Balgoy en Keent
Sticker op de voorkant van het boek: “Thijns-boek van D. Paringet, 1703”

De afgelopen weken mocht ik genieten van een belangrijk stuk historisch en cultureel erfgoed; een handgeschreven Balgoys en Keents boekwerk uit het begin van de 18e eeuw. Het is het belastingregister van de ambachtsheer van Balgoy en Keent en bevat informatie over de tijnsen (tienden) en erfpachten die jaarlijks op St. Lambertusdag aan hem verschuldigd waren.

Diederik Paringet, rigter en secretaris van Balgoy, overleden in 1707 (bron: dit thijnsboek)

Het register is samengesteld door Diederik Paringet, rigter en secretaris van Balgoy, in 1703, aan de hand van en volgend op oudere registers en bijgehouden door hem en zijn opvolgers tot ca. 1860. Paringet was niet alleen rigter en secretaris van Balgoy. Diederik Paringet werd op 12 augustus 1657 in Ravenstein Nederduits gereformeerd gedoopt als het eerste kind en de eerste zoon van het echtpaar Robbert Paringet en Margareta Richters. Hij heeft zeker een goede scholing gehad, met name in het Latijn, maar geen universitaire opleiding. Deze informatie komt uit een verhaal van de website van het BHIC. Vanaf juli 1677 was hij notaris in ’s-Gravenhage en vanaf 8 september 1678 oefende hij dat ambt uit in Grave. Hij trad er ook op als advocaat en procureur. Op 23 december 1692 werd Paringet benoemd tot rentmeester van de stad Grave, een functie die hij combineerde met zijn andere taken, waaronder dus ook rigter en secretaris van Balgoy. Wederom blijkt hieruit dat Balgoy en Keent, die aan de Gelderse kant van de Maas lagen, meer georiënteerd waren op Brabant, dan op Gelderland.

Een handgeschreven manuscript uit 1701 van Diederik Paringet over de stad Grave en het Land van Cuijk werd in 1752 in drukvorm uitgegeven (Bron: BHIC)

Paringet heeft zeer veel documenten voor het nageslacht vastgelegd, waarvan velen over de geschiedenis van Grave en het Land van Cuijk gingen; verschillende ervan zijn sindsdien spoorloos zoekgeraakt. Ook de locatie van dit thijnsboek was onbekend, totdat het opdook bij een antiquariaat in Haarlem. Ruud van Haren wist het boek in handen te krijgen en de bedoeling is nu om het complete boek te vertalen en te digitaliseren. Diederik Paringet overleed in functie; op 21 november 1707 werd hij in de Sint Elisabethkerk te Grave begraven.

Van ruim 200 percelen grond in Balgoy en Keent wordt de ligging in 1703 door Paringet omschreven en wordt het jaarlijks ontvangen bedrag genoteerd met de naam van de eigenaar/tijnsplichtige. Daaronder volgen gegevens over de jaarlijkse betalingen en over eigendomsovergangen tot in het midden van de 19e eeuw. Nagenoeg alle tijnsen zijn dan afgekocht, wat feitelijk het einde betekent van een belangrijk Balgoys en Keents tijdperk. Over ca. anderhalve eeuw kan het grondbezit worden nagegaan, zowel door vererving als door verkoop. Het mooie is ook dat bij bijna alle percelen in de periode 1820-1840 het nieuw ingevoerde kadasternummer wordt vermeld, waardoor de registratie naadloos aansluit op het nieuwe registratiesysteem in Nederland dat tot nu toe gebruikt wordt. Dit maakt het boekwerk uniek.

Het thijnsboek bevat ook een beknopt overzicht van historische gebeurtenissen in Balgoy en Keent in de 12e-17e eeuw.

Het boekwerk bevat verder nog een aantal beschrijvingen en jaartallen van gebeurtenissen in de regio, die overgenomen zijn uit “de inleiding tot de Historie van Gelderland” door W.A. van Spaan uit 1805. Ook staat er een lijst in van heren en vrouwen van Balgoy, van rigteren en van secretarissen. Er is ook nog een tijnsreglement in opgenomen. De jaarlijkse tijnsbedragen worden in 1703 nog aangegeven met een aantal hoenen (later 5 stuivers voor een hoen), capoenen (10 stuivers) of eieren ( 2 duiten). Dit thijnsboek is daarom een uniek boekwerk met gedetailleerde historische informatie over de regio, maar ook topografische informatie. Voor genealogisch onderzoek in dit gebied (Balgoy en Keent) in de periode 1700 – 1850 is dit een belangrijke unieke bron.

Met deze pagina in het boek begint de registratie van de ruim 200 percelen grond in Balgoy en Keent waarover tijns is verschuldigd aan de Vrijheeren van Balgoy en Keent

Een voorbeeld van de tijnsregistratie is folio 21. Van het perceel wordt de ligging in 1703 omschreven en wordt het jaarlijks te ontvangen bedrag genoteerd: “Deselve Vol. 11.9 uijt de helft van de vierde hoeve, oost de hoogveltse straat west de maas suijd en noord een merghen zestien en 1/2 duijt 4 3/4 eij”.

Voorbeeld van tijnsregistratie uit 1703.

In de meeste gevallen wordt ook de naam van de eigenaar/tijnsplichtige vermeld. Daaronder volgen gegevens over de jaarlijkse betalingen en over eigendomsovergangen tot in het midden van de 19e eeuw, toen de meeste tijnsen werden afgekocht.

Eigendomsovergangen werden bijgehouden tot in het midden van de 19e eeuw; uiteindelijk het eigendom door aankoop over aan Albertus van Laatum, tuinman te Balgoy.

Over anderhalve eeuw valt het grondbezit op deze wijze na te gaan, zowel door vererving als door verkoop. Bij veel van de percelen is ook rond 1830 het nieuw ingevoerde kadasternummer vermeld. In dit geval Sectie A, nummers 154, 155, 156, 157, 158, 159, 160, 161 en 168. Met de combinatie van beschrijving en het minuutplan van de kadastrale kaart 1811-1832, sectie A, blad 2 is de locatie van het betreffende perceel gemakkelijk te vinden.

Kadastrale kaart 1811-1832: detail van minuutplan Balgoy, sectie A, blad 02 (MIN05015A02)
Met behulp van de Oorspronkelijke aanwijzende tafel (OAT) Balgoy, sectie A, blad 010 (OAT05015A010) is ook de toenmalige eigenaar te traceren, in dit geval Maria van Florenstein
Manus de Valk

Met de kadastergegevens kunnen we het grondbezit nagaan tot ca. 1950. In leggerartikel 731 wordt Albertus Johannes van Laatum nog genoemd en in dienstjaar (dj) 1898 wordt het huis vervangen en opnieuw “gesticht”. Het kadasternummer verandert van A159, naar A592 en als van Laatum het huis verkoopt in dj 1912 heeft het kadastraal nummer A705 gekregen. Het huis werd verkocht aan schipper Hermanus (Manus) de Valk. Het verhaal van Manus de Valk, getrouwd met Maria van Geffen, die zich omstreeks kerstmis 1910 vestigde in Balgoy werd al eerder verteld in deze blog. Dat hij een huis kocht van een zekere Van Lathum in Balgoy, in het bevolkingsregister genummerd C38; later Veldsestraat genoemd kunnen we nu bevestigen. Zoon Ermert nam het winkelboerderijtje over begin jaren veertig en hij ventte met brood en kruidenierswaar. Tot in de zestiger jaren gingen er schoolkinderen snoep kopen voor een stuiver of een dubbeltje. Toen op 1 januari 1969 de BTW werd ingevoerd, besloot Ermert de winkel te sluiten. Op de voorgevel van de woning stond het jaartal 1747 vermeld. In het thijnsboek (Folio 21, no. 13) staat vermeld dat Paulus en Jacomijna Arts op 10 mei 1740 het daarin vermelde perceel overgenomen hebben. De kans is groot dat zij het boerderijtje destijds hebben gebouwd. Met de informatie uit het Thijnsboek der vrije heerlijckheyt Balgoy en Keent kunnen we nu anderhalve eeuw verder terug in de tijd op zoek naar bewoners en hun eigendommen in Balgoy en Keent.

Het winkelboerderijtje van Ermert de Valk.

Wat doet een herbergier uit Velp (NB) in Keent?

Overzicht Balgoy en Keent

Balgoy en Keent, in 1923 nog een zelfstandige gemeente in een grote kronkel van de Maas. Veel Balgoyse en Keentse mensen hadden contacten aan de Brabantse kant van de Maas, Escharen, Grave, Velp, Neerloon, Huisseling, Ravenstein, Dennenburg, Demen en Dieden.

Omdat het vakantietijd is, kan ik weer wat tijd stoppen in de Balgoyse en Keentse historie. Ik ben druk bezig met een inventarisatie van de Balgoyse en Keentse mensen (wie en waar) ten tijde van de opheffing van de gemeente Balgoy in 1923, gebruik makend van het bevolkingsregister (BR). In een van de volgende blogs meer hierover.

voorpagina BR Balgoy

Het bevolkingsregister van de gemeente Balgoy in de periode 1890 – 1923.

Tussendoor krijg ik nog regelmatig verzoeken en vragen over Balgoyse (en Keentse) mensen. Een paar weken terug vroeg Diane via een persoonlijk bericht op Twitter, naar voorouders in Balgoy en Keent. Bezig met stamboomonderzoek kwam ze erachter dat één van haar voorouders in de gemeente Balgoy en Keent heeft gewoond. Ze wilde natuurlijk graag weten waar precies, maar helaas bestaat het adres in die tijd niet uit een straat en huisnummer, maar uit een wijk en een huisnummer. En voor Balgoy en Keent is het zelfs nog een beetje lastiger, omdat de wijknummers in die periode een paar keer veranderd zijn. De gemeente Balgoy (tot 1923 dus) hanteerde twee wijken, A (Balgoy) en B (Keent). Toen in 1923 de gemeente opging in Overasselt werden de nummers anders en werden ze verdeeld in 4 wijken (A,B,C,B), maar na 1928 ging die indeling helemaal op de schop en kregen alle huizen weer andere nummers. Diane wist dat het wijk B was en huisnummer 44. De naam van haar voorouder was Martinus Antonius Nabuurs.

Met een huisnummer en een volledige naam in de hand is de eerste keuze om te gaan zoeken het BR. Na 1928 is heel Balgoy en Keent omgenummerd naar C-nummers, dus ligt de periode daaraan voorafgaand het meest voor de hand. Zoeken in het bevolkingsregister van Balgoy dus, in de periode 1890 – 1923. Op het voorlaatste blad (folio 118) was het raak.

BR Balgoy 1890 - 1923 blad 118

BR Balgoy 1890 – 1923 blad 118

detail Keent

Martinus Antonius Nabuurs woonde in de Hoogveldschestraat inKeent op de hoek met het Merste Straatje van 1898 – 1900.

Martinus Antonius Nabuurs werd op 19 juli 1898 ingeschreven in de gemeente Balgoy. Hij werd geboren op 18-11-1873 te Velp (NB) en zijn beroep volgens het BR was herbergier. Dagtekening van vestiging in de gemeente was 15-7-1898 en hij kwam uit de gemeente Linden (NB). Zijn verblijf in de gemeente Balgoy was maar kort, want op 3 mei 1900 vertrok hij alweer naar Dieden (NB). De “Huizing” (de plek waar hij gewoond heeft) is B40 (B44 veranderd in B40). Dit is in de Hoogveldschestraat in Keent ter hoogte (op de hoek) van het Merste Straatje (zie kaartdetail). De precieze plaats is afgeleid van de totale inventarisatie van de Balgoyse en Keentse mensen in 1923 volgens het BR, maar daarover meer in een volgende blog. Toen Martinus in Keent kwam wonen was hij al getrouwd met Petronella Josefina van Marwijk (geboren 14-3-1869 te Linden (NB)). Op 7 november 1898 kwam de zuster van Martinus, Maria, ook in Keent wonen. Zij trok in bij Martinus en Petronella. Die kregen in Keent twee kinderen, nl. Sophia Johanna, geb. 29-1-1899 en Johanna Wilhelmina, geb. 16-3-1900. Zoals gezegd is het gezin in mei 1900 vertrokken naar Dieden bij Ravenstein aan de Brabantse kant van de Maas.

Keent nu Google

De plek waar Martinus Antonius Nabuurs woonde, als je kijkt naar het huidige Keent (Google Maps).

Diane wilde graag weten waar het adres van haar voorvader was, als je kijkt naar het huidige Balgoy en Keent. In het Google Maps plaatje is de plek aangegeven. Wat ik zou willen weten is: “Zijn er nog foto’s van de mensen beschikbaar om het verhaal compleet te maken?” en misschien nog wel interessanter: “Wat doet een herbergier uit Velp in Keent en waarom is hij binnen twee jaar weer vertrokken?” Er waren al café’s in Keent, bijvoorbeeld het café van Koos Kersten aan de andere kant van het dorp bij de molen van Broeren. En als schipper Jan de Valk aan wal gaat, gaat hij precies op de grens van Balgoy en Keent wonen, op B136, later de overgang van Veldse- naar Hoogveldsestraat en precies waar de maaskanalisatie werd gepland. Zijn vrouw Regina Rosalia (Gieneke) Dinnissen begon daar een cafeetje. Het huis moest weliswaar wijken voor de nieuwe Maas, maar de familie verhuisde naar de Hoeveweg, tegenover de nieuwe kerk, waar ze een café en bakkerij begonnen. Het café werd later verkocht en is tot 2012 het dorpscafé van Balgoy geweest.