Het Thijnsboek der Vrijheerlijckheyt Balgoy en Keent

Thijnsboek der Vrijheerlijckheyt Balgoy en Keent
Sticker op de voorkant van het boek: “Thijns-boek van D. Paringet, 1703”

De afgelopen weken mocht ik genieten van een belangrijk stuk historisch en cultureel erfgoed; een handgeschreven Balgoys en Keents boekwerk uit het begin van de 18e eeuw. Het is het belastingregister van de ambachtsheer van Balgoy en Keent en bevat informatie over de tijnsen (tienden) en erfpachten die jaarlijks op St. Lambertusdag aan hem verschuldigd waren.

Diederik Paringet, rigter en secretaris van Balgoy, overleden in 1707 (bron: dit thijnsboek)

Het register is samengesteld door Diederik Paringet, rigter en secretaris van Balgoy, in 1703, aan de hand van en volgend op oudere registers en bijgehouden door hem en zijn opvolgers tot ca. 1860. Paringet was niet alleen rigter en secretaris van Balgoy. Diederik Paringet werd op 12 augustus 1657 in Ravenstein Nederduits gereformeerd gedoopt als het eerste kind en de eerste zoon van het echtpaar Robbert Paringet en Margareta Richters. Hij heeft zeker een goede scholing gehad, met name in het Latijn, maar geen universitaire opleiding. Deze informatie komt uit een verhaal van de website van het BHIC. Vanaf juli 1677 was hij notaris in ’s-Gravenhage en vanaf 8 september 1678 oefende hij dat ambt uit in Grave. Hij trad er ook op als advocaat en procureur. Op 23 december 1692 werd Paringet benoemd tot rentmeester van de stad Grave, een functie die hij combineerde met zijn andere taken, waaronder dus ook rigter en secretaris van Balgoy. Wederom blijkt hieruit dat Balgoy en Keent, die aan de Gelderse kant van de Maas lagen, meer georiënteerd waren op Brabant, dan op Gelderland.

Een handgeschreven manuscript uit 1701 van Diederik Paringet over de stad Grave en het Land van Cuijk werd in 1752 in drukvorm uitgegeven (Bron: BHIC)

Paringet heeft zeer veel documenten voor het nageslacht vastgelegd, waarvan velen over de geschiedenis van Grave en het Land van Cuijk gingen; verschillende ervan zijn sindsdien spoorloos zoekgeraakt. Ook de locatie van dit thijnsboek was onbekend, totdat het opdook bij een antiquariaat in Haarlem. Ruud van Haren wist het boek in handen te krijgen en de bedoeling is nu om het complete boek te vertalen en te digitaliseren. Diederik Paringet overleed in functie; op 21 november 1707 werd hij in de Sint Elisabethkerk te Grave begraven.

Van ruim 200 percelen grond in Balgoy en Keent wordt de ligging in 1703 door Paringet omschreven en wordt het jaarlijks ontvangen bedrag genoteerd met de naam van de eigenaar/tijnsplichtige. Daaronder volgen gegevens over de jaarlijkse betalingen en over eigendomsovergangen tot in het midden van de 19e eeuw. Nagenoeg alle tijnsen zijn dan afgekocht, wat feitelijk het einde betekent van een belangrijk Balgoys en Keents tijdperk. Over ca. anderhalve eeuw kan het grondbezit worden nagegaan, zowel door vererving als door verkoop. Het mooie is ook dat bij bijna alle percelen in de periode 1820-1840 het nieuw ingevoerde kadasternummer wordt vermeld, waardoor de registratie naadloos aansluit op het nieuwe registratiesysteem in Nederland dat tot nu toe gebruikt wordt. Dit maakt het boekwerk uniek.

Het thijnsboek bevat ook een beknopt overzicht van historische gebeurtenissen in Balgoy en Keent in de 12e-17e eeuw.

Het boekwerk bevat verder nog een aantal beschrijvingen en jaartallen van gebeurtenissen in de regio, die overgenomen zijn uit “de inleiding tot de Historie van Gelderland” door W.A. van Spaan uit 1805. Ook staat er een lijst in van heren en vrouwen van Balgoy, van rigteren en van secretarissen. Er is ook nog een tijnsreglement in opgenomen. De jaarlijkse tijnsbedragen worden in 1703 nog aangegeven met een aantal hoenen (later 5 stuivers voor een hoen), capoenen (10 stuivers) of eieren ( 2 duiten). Dit thijnsboek is daarom een uniek boekwerk met gedetailleerde historische informatie over de regio, maar ook topografische informatie. Voor genealogisch onderzoek in dit gebied (Balgoy en Keent) in de periode 1700 – 1850 is dit een belangrijke unieke bron.

Met deze pagina in het boek begint de registratie van de ruim 200 percelen grond in Balgoy en Keent waarover tijns is verschuldigd aan de Vrijheeren van Balgoy en Keent

Een voorbeeld van de tijnsregistratie is folio 21. Van het perceel wordt de ligging in 1703 omschreven en wordt het jaarlijks te ontvangen bedrag genoteerd: “Deselve Vol. 11.9 uijt de helft van de vierde hoeve, oost de hoogveltse straat west de maas suijd en noord een merghen zestien en 1/2 duijt 4 3/4 eij”.

Voorbeeld van tijnsregistratie uit 1703.

In de meeste gevallen wordt ook de naam van de eigenaar/tijnsplichtige vermeld. Daaronder volgen gegevens over de jaarlijkse betalingen en over eigendomsovergangen tot in het midden van de 19e eeuw, toen de meeste tijnsen werden afgekocht.

Eigendomsovergangen werden bijgehouden tot in het midden van de 19e eeuw; uiteindelijk het eigendom door aankoop over aan Albertus van Laatum, tuinman te Balgoy.

Over anderhalve eeuw valt het grondbezit op deze wijze na te gaan, zowel door vererving als door verkoop. Bij veel van de percelen is ook rond 1830 het nieuw ingevoerde kadasternummer vermeld. In dit geval Sectie A, nummers 154, 155, 156, 157, 158, 159, 160, 161 en 168. Met de combinatie van beschrijving en het minuutplan van de kadastrale kaart 1811-1832, sectie A, blad 2 is de locatie van het betreffende perceel gemakkelijk te vinden.

Kadastrale kaart 1811-1832: detail van minuutplan Balgoy, sectie A, blad 02 (MIN05015A02)
Met behulp van de Oorspronkelijke aanwijzende tafel (OAT) Balgoy, sectie A, blad 010 (OAT05015A010) is ook de toenmalige eigenaar te traceren, in dit geval Maria van Florenstein
Manus de Valk

Met de kadastergegevens kunnen we het grondbezit nagaan tot ca. 1950. In leggerartikel 731 wordt Albertus Johannes van Laatum nog genoemd en in dienstjaar (dj) 1898 wordt het huis vervangen en opnieuw “gesticht”. Het kadasternummer verandert van A159, naar A592 en als van Laatum het huis verkoopt in dj 1912 heeft het kadastraal nummer A705 gekregen. Het huis werd verkocht aan schipper Hermanus (Manus) de Valk. Het verhaal van Manus de Valk, getrouwd met Maria van Geffen, die zich omstreeks kerstmis 1910 vestigde in Balgoy werd al eerder verteld in deze blog. Dat hij een huis kocht van een zekere Van Lathum in Balgoy, in het bevolkingsregister genummerd C38; later Veldsestraat genoemd kunnen we nu bevestigen. Zoon Ermert nam het winkelboerderijtje over begin jaren veertig en hij ventte met brood en kruidenierswaar. Tot in de zestiger jaren gingen er schoolkinderen snoep kopen voor een stuiver of een dubbeltje. Toen op 1 januari 1969 de BTW werd ingevoerd, besloot Ermert de winkel te sluiten. Op de voorgevel van de woning stond het jaartal 1747 vermeld. In het thijnsboek (Folio 21, no. 13) staat vermeld dat Paulus en Jacomijna Arts op 10 mei 1740 het daarin vermelde perceel overgenomen hebben. De kans is groot dat zij het boerderijtje destijds hebben gebouwd. Met de informatie uit het Thijnsboek der vrije heerlijckheyt Balgoy en Keent kunnen we nu anderhalve eeuw verder terug in de tijd op zoek naar bewoners en hun eigendommen in Balgoy en Keent.

Het winkelboerderijtje van Ermert de Valk.

Koningin Wilhelmina bezoekt Balgoy op 2 januari 1926 – Harrie Jans, pater Vincentius en een redacteur van de Telegraaf doen verslag

F87302

Op 31 december 1925 ’s morgens om 07.30 uur sloeg het hoge water een gat van 100 meter in de maasdijk bij Nederasselt waardoor in een korte tijd een heel groot gedeelte van het Land van Maas en Waal onderliep (Fotocollectie Regionaal Archief Nijmegen).

Tijdens het interview dat Ruud van Haren en ik hadden met Leo Klaassen (de Gelderlander) voor het artikel dat zaterdag 27 juli werd gepubliceerd in de Maas-Waal editie, “Wilhelmina verraste het verdronken Balgoij, nu krijgt ze er een monument”, vroeg hij enkele keren naar details zoals: “Hoe kwam Wilhelmina in Balgoy?” en “Wie waren er behalve koningin Wilhelmina allemaal bij” en “Hoe zat dat nu precies met dat vee in de kerk, wanneer mocht dat naar binnen?”. Daarom een zo nauwkeurig mogelijke reconstructie met ooggetuigen.

Eind december 1925 was het weer heel slecht met veel sneeuw en hevige regenval. Dit had tot gevolg dat het water van de Maas tot het randje van de dijk stond. Oudjaarsdag stond een zuidwesterstorm pal op de kwetsbare dijk en het water sloeg een gat van honderd meter tussen Overasselt en Nederasselt ter hoogte van boerderij ´t Roth (zie kaart hieronder). Tijdens de vroegmis in de Overasseltse kerk even na half acht stroomde tijdens het Evangelie de kerk ineens leeg en bleef de pastoor verbaast achter. Iemand riep nog: “D´n diek is deurgebroken” en toen was iedereen weg (Maas & Waal Cultuur Express).

kaart1931

Een kadastrale kaart gedateerd 1931 met daarop aangegeven de plaats van de dijkdoorbraak (rechtsonder) en de kerk en pastorie in Balgoy waar koningin Wilhemina aan land ging (linksboven). Opgestapt bij het klooster in Alverna vaarde op 2 januari een gezelschap via Lunen, Nederasselt, de Eindschestraat, naar de pastorie in Balgoy. De plaats waar de dijk over een lengte van 100 meter werd weggeslagen bij boerderij ’t Roth is ook aangegeven (rechtsonder).

Harrie Jans in Andere Tijden“Wij hoorden het in Balgoy tegen een uur of acht, half negen” vertelde Harrie Jans in de TV-documentaire “Andere Tijden, Kronkels van de Maas”. “En tegen ongeveer half vijf was het water in Balgoy, ’s avonds. En het bleef wassen tot ’s nachts half twaalf ” Harrie Jans woonde als 13-jarige jongen bij zijn ouders Piet Jans en Hanna Kersten in de Torenstraat. “Het water kwam gewoon over die grote bult hin, en zo….. En het begon te ruisen. Dat water viel daar in ene keer een meter omlaag”. Dit verhaal vertelde hij in december 2007 alsof het een dag ervoor was gebeurd (het werd in januari 2008 uitgezonden). Het geeft aan wat voor impact het voor de mensen in die tijd moet hebben gehad.

Harrie Jans Andere Tijden 2“Mijn vader zei: waar moet ik met het vee naartoe?”, vervolgde Harrie Jans. “Gewikt en gewogen. Zullen we met al ’t vee naar de kerk gaan? Want de kerk ligt hoog hier. En ’s nachts een wind. Waaien, regenen. Die nacht, geweldig! En dat vee liep tot zover in de modder”. Hij vervolgt: “Toen kwam de koningin. En die juffrouw, Willemien, werd toen gedragen. Prins Hendrik was erbij. En nog een paar anderen waren erbij. Mijn vader zei, daar komen een stuk of wat nieuwsgierigen aan, zet ie”.

Wie waren nu precies die anderen en hoe kwamen ze in Balgoy? Allereerst de plannen van koningin Wilhelmina. Zij reisde op 1 januari met de trein van 08.46 uur van den Haag naar Nijmegen. Dat deed ze vanzelfsprekend niet alleen. Haar gevolg bestond o.a. uit freule van Swinderen en adjudant onderofficier Hr. Verheijen (burgerkleding). De aankomst in Nijmegen was om 12 uur ’s nachts. Ze overnachtten in de koninklijke trein. Op 2 januari om 08.30 uur voormiddags was de tocht gepland naar de doorbraak van de dijk bij Nederasselt (zie detail uit de journalen van de reis hieronder).

detail archief Wilhelmina

Detail van de journalen van de bezoeken van Wilhelmina, bijgehouden door haar particulier secretaris F.M.L. baron van Geen, 1904, aug 1 – 1929 jun en baron van Heemstra. Archief van koningin Wilhelmina (A50).

2560px-Franciscanenklooster_Alverna_1

Klooster Alverna aan het einde van de 19e eeuw (Bron: Pontianus Polman & Maturus Hendriks (1980) Alverna. Van begin tot einde).

Nog meer details vinden we in het verslag van de reis door de enige journalist die mee mocht reizen, een speciale redacteur van de Telegraaf. Zijn ervaringen en verslag zijn terug te vinden in de Telegraaf van zondag 3 januari 1926 en de Provinciale Noordbrabantsche en ’s Hertogenbosche Courant van maandag 4 januari 1926. Zoals ook al uit het journaal van koningin Wilhelmina bleek, vertrok het gezelschap om 08.30 uur vanuit Nijmegen en wel met koninklijke auto’s. Koningin Wilhelmina was gekleed in een donkerbruin gevoerde regenmantel en vetleren laarzen; prins Hendrik droeg een regenjas en rijlaarzen. Omdat de Rijksweg naar den Bosch ook ondergelopen was, moest overgestapt worden op roeiboten (vletten). Om 09.15 uur vertrekken de vletten bij het klooster van Alverna. Als herinnering werd aan de Graafseweg in Alverna tegenover het klooster een monument geplaatst. Het is een granieten obelisk op een uitspringende sokkel. Aan de zijde van de Graafseweg staat erop: Quae primae in honore /et primae in amore/watersnood 1926. (In Liefde ging voorop, die vooraan staat in ere). Op 25 mei 1927 werd het monument door prins Hendrik onthuld.

Alverna_(Wijchen)_monument_watersnood_1926,_Graafseweg

Monument watersnood 1926 (Bron foto: Wikipedia).

In de voorste vlet die vanaf het Alverneese klooster vertrok zaten de koningin, prins Hendrik, de commissaris der Koningin in de provincie Gelderland en commandant Harmsen van de Marine; in de tweede vlet jhr. Roell, gepensioneerd generaal, vice-voorzitter van het Rode Kruis, burgemeester van Ryckevorssel uit Wijchen, freule van Swinderen en jhr. Verheyen, adjudant van de prins; in de derde vlet de hoofdingenieur van den Waterstaat, de heer Seydenzaal, kapitein E. Werner en de redacteur van de Telegraaf, die als enige journalist de tocht volgde. Op elke vlet was ook een gids, die de streek kende en wist hoe gevaren moest worden. De vletten waren verder bemand met vier matrozen en een konstabel (marine onderofficier).

Het aanzicht richting Nederasselt was een eindeloze, grauwe watervlakte, een meer, met hier en daar daken van huizen. Daarboven grijze en donkere regenwolken. De regen kwam met bakken uit de lucht en er gierde een gure storm. Met vaste slagen werd tegen de stroom in opgeroeid richting Nederasselt en Balgoy. De vletten zaten regelmatig vast tegen een heg of een paal die onder het wateroppervlak verborgen zat. In Nederasselt aangekomen, werd goed zichtbaar dat het water anderhalve meter in de huizen stond.

image761

Gebroeders Wim en Frans Lamers. Op de schouw moet gemarkeerd zijn hoe hoog het water stond op 1 januari 1926 (Bron: Ber van Haren).

Dit was ook het geval in Balgoy, want daar wordt verteld dat in het huis van de gebroeders Lamers bij de schouw een streep was aangebracht die de waterhoogte op nieuwjaarsdag 1926 aangaf, ook tussen anderhalf en twee meter. Wellicht dat er mensen zijn die weten of dit ook nog op andere plaatsen is aangegeven.

Nederasselt was een groot meer geworden, waar de huizen uit opstaken. De fraaie, oude dorpsweg was met moeite te herkennen. Het was wel droog geworden en de gure wind was gaan liggen. Er heerste een beklemmende stilte op het wateroppervlak, toen de vletten Nederasselt verlieten en richting Eindschestraat en Balgoy voeren. Alleen hoorde je het geloei van koeien en ook het geblaat van schapen, die op de daken van huizen zaten. De meeste huizen waar langs gevaren werd waren reeds verlaten en eenzaam. Zo naderde het gezelschap de kerk van Balgoy.

De koninklijke familie in Balgoy 1926

Koningin Wilhelmina in Balgoy (Bron: de Maasbode 4 januari 1926).

De Telegraaf journalist schreef dat de vletten aardig vol liepen met water en dat een korte landing noodzakelijk werd. Verder viel hem op dat Balgoy aan de ene zijde een dorp was met armelijke hutjes en aan de andere zijde vol stond met rijke boerenwoningen. Trots stond er de grote nieuwe kerk op een eiland een meter uit het water gerezen. Met moeite werd er geland. De matrozen sprongen in het water en droegen de koningin, de prins met gevolg en ook de journalist aan land. Het eilandje met kerk en pastorie was een grote modderpoel geworden. Er waren een paar honderd stuks vee bijeengebracht, die de grond doorkneed hadden met hun hoeven. Al het vee stond dus op het eiland, maar niet in de kerk.

Koningin Wilhelmina werd welkom geheten in Balgoy door pater Vincentius en niet door de Balgoyse pastoor Godefridus van Acht, die een breuk-operatie moest ondergaan in het Canisius Ziekenhuis in Nijmegen. Hoewel die operatie slaagde, kreeg hij als complicatie een longontsteking waaraan hij op 23 januari 1926 overleed. Daarom werd de parochie waargenomen door een pater Kapucijn uit Velp. Pater Vincentius wist niet of hij gerechtigd was het vee in de kerk toe te laten. Daarover moest de deken beslissen.

Dit blijkt ook uit een verslag in het archief van de Kapucijnen te Velp over de wateroverlast in Grave en Velp, maar ook over het bezoek van koningin Wilhelmina aan Balgoy. Hierin wordt gedetailleerd beschreven hoe pater Vincentius het bezoek van de koningin heeft ervaren en wat er precies gebeurd is.

Detail van verslag Kapucijnen

Detail uit verslag van de watersnood in de winter van 1925-1926 te Grave, Velp en Balgoy, Archief van de Kapucijnen in Velp (NB)

In het verslag staat ook dat de boeren sterk aandrongen om het vee in de kerk te mogen stallen. Vincentius wilde dat niet graag toestaan uit eerbied voor het Godshuis. Hij besloot de uiterste noodzaak af te wachten. Doch ondertussen zond hij een man om inlichtingen naar de H.E. Heer Deken te Grave. Deze zei dat de pater maar moest doen wat het beste was. Toen op 2 januari de koningin Wilhelmina, prins Hendrik, haar gemaal, Baron van Heemstra, Gouverneur der koningin in Gelderland met verder gevolg op het eiland landden, waar kerk en pastorie stonden, spoedde de pater zich naar dit hoog gezelschap om het te verwelkomen.

1fb8e-image072

Wilhelmina wordt verwelkomt in Balgoy door pater Kapucijn Vincentius, dijkdoorbraak 1926 (Harrie Jans met bosje hooi).

Hij liet de kerk zien en leidde Hare Majesteit naar de vrouwen en kinderen ondergebracht op de pastorie. Hij onthaalde dan verder het hoge gezelschap in de huiskamer van de pastorie, die op dat moment alleen verwarmd was. Door dit gezelschap werd nu ook sterk aangedrongen op het openen van de kerk voor het vee. Pater Vincentius, gezien de erbarmelijke toestand waarin het vee begon te verkeren, meende nu niet langer te mogen weigeren. Hij besloot dan ook dit toe te staan. Nadat het gezelschap nog wat op de pastorie had vertoefd, deed de pater hen uitgeleide naar de boten. Een driemaal herhaald “Lang zal zij leven” werd aangeheven en de boten voeren af.

Hierna begon pater Vincentius de toebereidselen te maken om het vee in de kerk te kunnen plaatsen. Het H. Sacrament bracht hij in de kluis in de sacristie. Voor de communiebank liet hij de bidbanken opstapelen, zodat het presbyterium geheel was afgesloten. Daarna werden de paarden en koeien naar binnen gebracht. Vijf dagen heeft het vee er gestaan. Hoewel het vee na vijf dagen alweer uit de kerk was weggevoerd, wachtte de pater nog vele dagen met het reconcilieeren van de kerk, omdat er grote scheuren in het kerkgebouw waren gekomen. Doch toen alles zonder gevaar bleek te zijn, kon Vincentius de kerk op 23 januari plechtig reconcilieeren. Dit was de dag waarop de pastoor, gestorven te Nijmegen in ’t ziekenhuis, plechtig te Balgoy begraven werd.

image477

Ruïne van het Huis tot Balgoy in de twintigste eeuw (Bron: Mien Jacobs Spann).

Na het vertrek vanaf de kerk voer het gezelschap langzaam door het ondergelopen Balgoy. Het was windstil geworden, maar toch maakte het stromende water draaikolken bij de bomen en andere hinderpalen. Troosteloos zag het land eruit. Onderweg werd weer brood uitgedeeld bij boerderijen waar nog mensen aanwezig waren, dat dankbaar werd aangenomen. De vletten voeren richting Wijchen en aan de linkerhand stond de ruïne van het oude Balgoyse kasteel met sinistere raamgaten en ingestort dak. Langs de kruinen van fruitbomen varend, werd Balgoy verlaten en ging men richting Wijchen. Het moet al na drieën geweest zijn.

Kerk Balgoy 1926

Mensen bij de ingang van de toren, tijdens de watersnood van 1926 – balgoy – 20027582 – rce | Door: BotMultichillT – 1926 | Licentie: CC-BY-SA-3.0-NL (Wikipedia).

Tenslotte nog even terug naar het artikel in de Gelderlander van 27 juli. De geschiedenis van Balgoy is verweven met de Maas en er zijn talrijke gebeurtenissen die onherroepelijk de Balgoyse mensen en hun cultuur zullen hebben beïnvloed. De dijkdoorbraak van oudjaarsdag 1925 en de gevolgen in het begin van 1926 zijn daar een duidelijk voorbeeld van. De toenmalige regering Colijn vond het weliswaar geen nationale ramp en wilde geen geld beschikbaar stellen; in een interview met de Telegraaf zei de minister-president: “De toestand is droevig, zelfs ernstig, maar ik acht hem niet van dien aard, tenzij zich nieuwe complicaties voordoen, dat het een nationale ramp zal worden”. Toch zijn de sporen van de dijkdoorbraak nog vele jaren fysiek en mentaal zichtbaar geweest en dat kunnen en mogen we niet vergeten en ook de generaties na ons moeten dit verhaal blijven horen. Een herinnering op een plek vlak bij de school en de plek waar Wilhelmina aan land kwam, lijkt mij een prachtig initiatief. Het gaat er niet om of een iemand het wil of een groepje. Er moet draagvlak zijn in het hele dorp; de Balgoyse mensen moeten het willen.

Bronnen:

  • “Wilhelmina verraste het verdronken Balgoij, nu krijgt ze er een monument” in de Gelderlander (editie Maas-Waal), 27 juli 2019
  • “D’n diek is deurgebroken” op Maas en Waal Cultuur Express.
  • “De watersnood in 1925 en de gevolgen” in Geschiedenis van de maasdorpen Overasselt, Nederasselt, Balgoij – Keent, 1978
  • “Andere Tijden: Kronkels van de Maas”. VPRO NTR aflevering 329 in 2008
  • A50-XVa-33, nr. III, Journalen van de bezoeken van Wilhelmina, bijgehouden door haar particulier secretaris F.M.L. baron van Geen, 1904, aug 1 – 1929 jun en baron van Heemstra. Archief van koningin Wilhelmina (A50)
  • De Telegraaf, zondag 3 januari 1926
  • De Provinciale Noordbrabantsche en ’s Hertogenbosche Courant, maandag 4 januari 1926
  • Ter Herinnering: Renovatie 1997, Kerk Balgoy, Wim Verhoeven
  • Verslag van de watersnood in de winter van 1925-1926 te Grave, Velp en Balgoy, Archief van de Kapucijnen in Velp (NB)

 

Wat doet een herbergier uit Velp (NB) in Keent?

Overzicht Balgoy en Keent

Balgoy en Keent, in 1923 nog een zelfstandige gemeente in een grote kronkel van de Maas. Veel Balgoyse en Keentse mensen hadden contacten aan de Brabantse kant van de Maas, Escharen, Grave, Velp, Neerloon, Huisseling, Ravenstein, Dennenburg, Demen en Dieden.

Omdat het vakantietijd is, kan ik weer wat tijd stoppen in de Balgoyse en Keentse historie. Ik ben druk bezig met een inventarisatie van de Balgoyse en Keentse mensen (wie en waar) ten tijde van de opheffing van de gemeente Balgoy in 1923, gebruik makend van het bevolkingsregister (BR). In een van de volgende blogs meer hierover.

voorpagina BR Balgoy

Het bevolkingsregister van de gemeente Balgoy in de periode 1890 – 1923.

Tussendoor krijg ik nog regelmatig verzoeken en vragen over Balgoyse (en Keentse) mensen. Een paar weken terug vroeg Diane via een persoonlijk bericht op Twitter, naar voorouders in Balgoy en Keent. Bezig met stamboomonderzoek kwam ze erachter dat één van haar voorouders in de gemeente Balgoy en Keent heeft gewoond. Ze wilde natuurlijk graag weten waar precies, maar helaas bestaat het adres in die tijd niet uit een straat en huisnummer, maar uit een wijk en een huisnummer. En voor Balgoy en Keent is het zelfs nog een beetje lastiger, omdat de wijknummers in die periode een paar keer veranderd zijn. De gemeente Balgoy (tot 1923 dus) hanteerde twee wijken, A (Balgoy) en B (Keent). Toen in 1923 de gemeente opging in Overasselt werden de nummers anders en werden ze verdeeld in 4 wijken (A,B,C,B), maar na 1928 ging die indeling helemaal op de schop en kregen alle huizen weer andere nummers. Diane wist dat het wijk B was en huisnummer 44. De naam van haar voorouder was Martinus Antonius Nabuurs.

Met een huisnummer en een volledige naam in de hand is de eerste keuze om te gaan zoeken het BR. Na 1928 is heel Balgoy en Keent omgenummerd naar C-nummers, dus ligt de periode daaraan voorafgaand het meest voor de hand. Zoeken in het bevolkingsregister van Balgoy dus, in de periode 1890 – 1923. Op het voorlaatste blad (folio 118) was het raak.

BR Balgoy 1890 - 1923 blad 118

BR Balgoy 1890 – 1923 blad 118

detail Keent

Martinus Antonius Nabuurs woonde in de Hoogveldschestraat inKeent op de hoek met het Merste Straatje van 1898 – 1900.

Martinus Antonius Nabuurs werd op 19 juli 1898 ingeschreven in de gemeente Balgoy. Hij werd geboren op 18-11-1873 te Velp (NB) en zijn beroep volgens het BR was herbergier. Dagtekening van vestiging in de gemeente was 15-7-1898 en hij kwam uit de gemeente Linden (NB). Zijn verblijf in de gemeente Balgoy was maar kort, want op 3 mei 1900 vertrok hij alweer naar Dieden (NB). De “Huizing” (de plek waar hij gewoond heeft) is B40 (B44 veranderd in B40). Dit is in de Hoogveldschestraat in Keent ter hoogte (op de hoek) van het Merste Straatje (zie kaartdetail). De precieze plaats is afgeleid van de totale inventarisatie van de Balgoyse en Keentse mensen in 1923 volgens het BR, maar daarover meer in een volgende blog. Toen Martinus in Keent kwam wonen was hij al getrouwd met Petronella Josefina van Marwijk (geboren 14-3-1869 te Linden (NB)). Op 7 november 1898 kwam de zuster van Martinus, Maria, ook in Keent wonen. Zij trok in bij Martinus en Petronella. Die kregen in Keent twee kinderen, nl. Sophia Johanna, geb. 29-1-1899 en Johanna Wilhelmina, geb. 16-3-1900. Zoals gezegd is het gezin in mei 1900 vertrokken naar Dieden bij Ravenstein aan de Brabantse kant van de Maas.

Keent nu Google

De plek waar Martinus Antonius Nabuurs woonde, als je kijkt naar het huidige Keent (Google Maps).

Diane wilde graag weten waar het adres van haar voorvader was, als je kijkt naar het huidige Balgoy en Keent. In het Google Maps plaatje is de plek aangegeven. Wat ik zou willen weten is: “Zijn er nog foto’s van de mensen beschikbaar om het verhaal compleet te maken?” en misschien nog wel interessanter: “Wat doet een herbergier uit Velp in Keent en waarom is hij binnen twee jaar weer vertrokken?” Er waren al café’s in Keent, bijvoorbeeld het café van Koos Kersten aan de andere kant van het dorp bij de molen van Broeren. En als schipper Jan de Valk aan wal gaat, gaat hij precies op de grens van Balgoy en Keent wonen, op B136, later de overgang van Veldse- naar Hoogveldsestraat en precies waar de maaskanalisatie werd gepland. Zijn vrouw Regina Rosalia (Gieneke) Dinnissen begon daar een cafeetje. Het huis moest weliswaar wijken voor de nieuwe Maas, maar de familie verhuisde naar de Hoeveweg, tegenover de nieuwe kerk, waar ze een café en bakkerij begonnen. Het café werd later verkocht en is tot 2012 het dorpscafé van Balgoy geweest.

 

Het gevoel van de Vierdaagse roept herinneringen op in Balgoy aan de watersnood van 1926

UT0ne4bOTo+JKooEcv3yygVandaag was het weer zo ver, de Wijchense dag van de Nijmeegse vierdaagse! De 103de Vierdaagse alweer en tussen 6 uur vanmorgen en ca. half 11 zag ik de 50 km lopers door Balgoy wandelen. Een mooi gezicht met een grote verscheidenheid aan mensen, waarvan de meesten halverwege de tweede etappe nog vol goede moed waren. Het Facebookalbum “Vierdaagse Balgoy 2019!” van Werner Peters geeft een mooie dagimpressie.

Vierdaagse 2019 Balgoy van boven 02

Vanuit de lucht gezien trekken Vierdaagse wandelaars door Balgoy met rechtsonder het huis waar ik woon en boven de Maasbanddijk en de Maas (Bron foto: Rens Artz)

Het zijn dit soort activiteiten waardoor Balgoy en de Balgoyse mensen af en toe media-aandacht krijgen. Ruud van Haren meldde afgelopen weekend al op Facebook dat “Het gevoel van de Vierdaagse” aandacht gaat schenken aan Balgoy. “Het gevoel van de Vierdaagse” is een afwisselend programma waarin KRO-NCRV dagelijks verslag doet van de Vierdaagse. In korte minireportages komen in het programma verhalen van de wandelaars aan de orde, maar wordt ook verteld over het heden en verleden van de plekken waar de wandelaars langs komen. Fons de Poel, zelf Nijmegenaar van geboorte, volgt de wandelaars op hun weg door Maas en Waal. 

1fb8e-image072

Wilhelmina op bezoek in Balgoy, dijkdoorbraak 1925 (Harrie Jans met bosje hooi).

De redactie van het tv-programma was o.a. geïnteresseerd in de rol die de Maas speelt en speelde in het leven van de Balgoyse mensen, nu en vroeger. Op de Maasbanddijk heeft men een prachtig uitzicht over de Maas en het typische landschap waar Balgoy en Keent deel van uitmaken. De Maas is een typische regenrivier. Het water kan plotseling stijgen en dan loopt de boel onder. Zolang het binnen de perken blijft is het een mooi spektakel. Maar in 1993 en in 1995 stond het water hier tot aan de top van de dijk. Opeens was er weer het besef dat een overstromingsramp, zoals die van 1926 nog altijd een reële mogelijkheid is. De documentaire “Kronkels van de Maas” (Andere Tijden, VPRO) uit januari 2008 gaf al een mooi overzicht van deze geschiedenis. Het was Balgoysemins Harrie Jans (1912 – 2011) die het verhaal vertelde van de niet te stoppen watervloed vanuit Nederasselt, de koeien en de paarden die werden ondergebracht in de kerk en zijn ontmoeting met koningin Wilhelmina.

De koninklijke familie in Balgoy 1926

Foto van voorpagina “De Maasbode”, 5 januari 1926: H. Majesteit de Koningin te Balgoy.

Trots als een pauw vertelde hij zijn verhaal en de opnamen vond hij heel interessant. Dat hij dat nog mocht meemaken op 95-jarige leeftijd.

Ook Fons de Poel bracht op zondag 14 juli een bezoek aan de kerk en er werden opnames gemaakt op de Maasbanddijk (foto’s Ruud van Haren). Jammer dat Harrie er niet meer bij kon zijn. De uitzending van “Het gevoel van de Vierdaagse” met Balgoyse beelden is op woensdag 17 juli om 19.10 uur te zien op NPO 1.

Burgemeester stond niet bekend om zijn liefdadigheid

De vraag van Anneke uit Berkel en Rodenrijs in Zuid-Holland over de boerderij in de Hoeveweg waar rond 1930 haar opa en oma hebben gewoond heeft in februari geleid tot een mooi verhaal. Het betrof Joannes Everardus Helderman uit Schiebroek, die samen met echtgenote Anna Petronella van der Helm en hun vier kinderen naar het verre Balgoy verhuisden en daar enkele jaren hebben gewoond.

image256

Wilhelmus Johannes Cornelius de Bruijn, oud-burgemeester-secretaris van de gemeente Balgoy, oud-heemraad van het polderdistrict Rijk van Nijmegen, lid van de derde orde van den H. Franciscus

Op een werkavond van Pagus Balgoye, nadat het verhaal was gepubliceerd, werd nog eens over de familie Helderman gesproken en Ries van Haren schreef naar aanleiding hiervan een mooi verhaal dat ik mocht gebruiken voor deze blog. Van zijn vader, die geboren werd in 1901, had Ries lang geleden wel eens gehoord over “die familie”. Zij en nog een andere Zuid-Hollandse familie hadden eind jaren twintig ieder een boerderijtje gehuurd van oud-burgemeester de Bruijn van Balgoy (tot 1923). Eerder waren die bedrijfjes verhuurd aan Balgoyse mensen, maar de oud-burgemeester stond niet bekend om zijn liefdadigheid, meer het tegendeel was bekend. De pachters betaalden vaak te veel en kregen daarvoor niet wat beloofd was. Daardoor werd het steeds moeilijker om te verpachten aan Balgoyse mensen. Johan de Bruijn, de zoon van de burgemeester, destijds rentmeester van beroep, heeft toen in een landelijk dagblad de boerderijtjes voor huur aangeboden. Hierop werd gereageerd door die beide families. Echte Hollandse families, die geen wegwijs wisten met de boomgaarden in deze streek, bouwland bewerken kenden ze minimaal en voor het grasland gebruikten ze hele andere methoden dan wij hier gewend waren. Zo meteen in het verhaal van Ries meer hierover.

Eerst de vraag wie was die andere Zuid-Hollandse familie en waar stond het boerderijtje dat ze pachtten? Hiervoor werd in eerste instantie het bevolkingsregister (BR) (1924-1931) van de gemeente Overasselt gebruikt, dat in te zien is in het Regionaal Archief te Nijmegen. Het BR bestaat uit 10-jarige tabellen met daarin de inwoners van de gemeente geregistreerd op huisnummer. Bovendien is opgetekend wanneer zij in de betreffende periode zijn gevestigd en/of wanneer zij zijn vertrokken. In dit geval dus in de periode 1924 tot en met 1931. De onlogische begindatum wordt verklaard door het feit dat op 1 mei 1923 de gemeente Balgoy en Keent haar zelfstandigheid opgaf en werd gevoegd bij de gemeente Overasselt. In diezelfde periode 1924-1931 werd in de zomer van 1928 ook nog een nieuwe huisnummering ingevoerd door de gemeente Overasselt. Folio 213 vermeldt dat op Hoeveweg C99 (voor 1928 nummer C46 en nu Hoeveweg 13) van 1926 tot eind 1928 Wilhelmus Antonius Heestermans uit Oude-Tonge met zijn vrouw Maria Feyen heeft gewoond. Oude-Tonge is een plaats in het oosten van de gemeente Goeree-Overflakkee in de provincie Zuid-Holland. Het dorp ligt op het eiland Goeree-Overflakkee. Volgens het BR zijn ze op 26-11-1928 uitgeschreven in Overasselt en naar Hilversum vertrokken. Vanaf 3-4-1929 was op C99 de landbouwer Derk Remmert van den Berg uit Beuningen gevestigd.

Hoeveweg 13 vijftiger jaren

Hoeveweg C99 (nu Hoeveweg 13) begin jaren vijftig van de vorige eeuw. Zo moet het boerderijtje er ook ongeveer uitgezien hebben eind jaren 20 toen Wilhelmus Antonius Heestermans uit Oude Tonge er woonde.

IMG_0189

Muursteen waarschijnlijk bij de bouw van het boerderijtje naast de voordeur ingemetseld met inscriptie “J.H.M.H.d.B. 25-1-1908” (Johan Hendrik Mattheus Herman de Bruijn, zoon van burgemeester Wilhelmus de Bruijn).

Op de foto hierboven, rechts naast de voordeur is een “plaatje” zichtbaar. Dit “plaatje” is een van natuursteen gemaakt, ingemetseld plaatje dat nu nog steeds op die plek in het huis zit. Op het plaatje staat geschreven “J.H.M.H.d.B. 25-1-1908” (Johan Hendrik Mattheus Herman de Bruijn, zoon van burgemeester Wilhelmus de Bruijn), de oorspronkelijke eigenaar, die het boerderijtje verpachtte aan de familie Heestermans. Op de foto van het boerderijtje, die waarschijnlijk is gemaakt in de vijftiger jaren, is rechts van de deur in het midden een grote brievenbus opgehangen en daarboven een soort uithangbord. Op het raam daar rechts van zijn “mededelingen” opgeplakt. Dit zou kunnen passen bij de bestemming postkantoor die het boerderijtje begin jaren vijftig kreeg, toen het werd gekocht door brievenbesteller Johannes Hendrikus Willems (“Jo de Post”) (zie de kadastrale legger hieronder).

BGY00legger1422-2kopie

Kadastrale legger ART. 1422 Balgoy, waarop duidelijk de vele verbouwingene en aanpassingen van het postkantoor zijn te lezen.

In een eerdere kadastrale legger, ART 857,  is te lezen dat de boerderij is “gesticht in dienstjaar 1909” en eigendom was van Wilhelmus Johannes Cornelius de Bruijn uit Balgoy, van beroep burgemeester. Dit wordt bevestigd door de informatie op de muursteen.

Ries van Haren vertelt verder dat bij Heestermans een stuk weiland lag (zo rond het Tuimelsgat waar nu de Roncallischool staat), dat vaak tot juni in het water stond. Verder stonden bij de beide pachters Heestermans en Helderman fruitbomen op het huisperceel, voornamelijk bestaande uit hoogstambomen. Dat was helemaal nieuw voor hen. Er moest met 35 tot 40 sportladders geplukt worden en dat kenden zij niet. Zodoende ging er bij hen veel fruit verloren, terwijl Balgoyse mensen dit allemaal verwerkten. Pruimen werden gesteriliseerd of meegenomen naar de Nijmeegse markt. Ook van peren ging weinig verloren en val-appels werden geschild en in platte stukjes gesneden en dan in de zon gedroogd op een laken. Eenmaal droog gingen ze in een oude melkbus meestal naar de zolder. Een lekkernij voor de winter.

Helderman had ook nog een stuk weiland dat was “uitgeleegd” voor dijkonderhoud. “De Put” werd het genoemd en ligt nu op het perceel van Johan van de Oever vlak langs de dijk. Uitgeleegd weiland levert de eerste 10 tot 20 jaar vaak een slechte oogst. De grond moet eerst weer in cultuur gebracht worden.

image454

Met kar en paard op het bouwland (Piet, Jan en The de Bruijn aan het werk, ca. 1955).

Rond 1928 heeft de vader van Ries het hooi “opgevaren” met kar en paard voor Helderman. Helderman had een knechtje, volgens Ries een grote lilliputter, die volgens hem Pietje heette. “Pietje met kiestje” werd hij ook genoemd, omdat hij in de wintertijd rondging met “negotie”.  Nou zette Helderman zo’n grote oppers hooi, dat er maar een of anderhalve opper op een kar kon, terwijl bij Balgoyse boeren er wel 7 tot 8 op konden. Pietje moest daarom een stalladder meenemen om op de opper te klimmen en dan het hooi op te kunnen steken. Zij, de Hollanders, waren dat wel gewend en sleepten soms 20 are hooi bij elkaar voor 1 opper of ook vaak op een ruiter. In Zuid-Holland heb je vele akkers weiland met watervoren en in het midden van die akkers lag het land vaak hoger. Zodoende zette ze daar de oppers hooi op.

Al met al was het geen vetpot voor de beide pachters, volgens Ries. Zijn vaders verhaal over de Zuid-Hollanders eindigde dan ook altijd met de opmerking: “op een goede dag zijn ze beide met de noorderzon vertrokken”.

Tenslotte nog de vraag: “wie was Pietje met het kiestje?” Ik denk dat “Pietje” in werkelijkheid “Cor of Corné” heeft geheten. Dit vermoed ik, omdat er in de periode 1926 tot 1929 vier mensen werden geregistreerd in het BR op Hoeveweg C99. Behalve Wilhelmus Antonius Heestermans en zijn vrouw Anna Cornelia Maria Feijen woonden er ook nog hun zoontje Hendrikus Antonius, die op 1-7-1926 werd geboren en de zwager van Wilhelmus Heestermans en broer van Anna Feijen, Cornelius Marinus Feijen. Ik durf te stellen dat Cornelius Feijen “Piet met het kiestje”was, want na het vertrek van Cornelius in juni 1928 naar Oud Beijerland heeft niemand meer “Pietje”gehoord of gezien.