Lid zijn van harmonie Kunst en Vriendschap uit Balgoy voelt als familie

Een blijde boodschap. Daar draait het om met kerstmis. Het is ook een tijd om dankbaar te zijn voor alles wat we hebben en om onze goede wensen te uiten aan anderen. Met kerst wensen we iedereen zalig kerstfeest en de allerbeste wensen voor het nieuwe jaar. Dat geldt voor je gezin, je familie en alle mensen om je heen. Natuurlijk ook voor de verenigingen waar je lid van bent, want dat is ook een soort familie. Zeker harmonie Kunst en Vriendschap uit Balgoy, waar ik al meer dan dertig jaar actief (bestuurs)lid ben. Weliswaar ben ik “import” in Balgoy, maar ik heb me er altijd “thuis” gevoeld, familie gevoeld. Je hoort nog wel eens, zeker ook buiten Balgoy, dat het moeilijk is om binnen de Balgoyse verenigingen geaccepteerd, opgenomen te worden, maar dat is niet zo. Natuurlijk is er wel verschil tussen familie voelen en familie zijn. Voor zover ik wist had ik geen genealogische familiebanden met Balgoyse mensen, maar dat veranderde deze week door een verrassende Whatsapp.

Bladzijde uit trouwboekje van Johannes Gerrits en Francisca van Erp

Via e-mail of Whatsapp krijg ik regelmatig berichtjes met vragen over Balgoyse mensen of vragen die daaraan zijn gerelateerd. Zo kreeg ik 20 december via Whatsapp een foto gestuurd van een bladzijde uit een oud trouwboekje (zie hierboven). Rieky de Valk – Gerrits, echtgenote van Kunst en Vriendschap bassist Peter de Valk, schreef erbij: “Hallo Piet, is dit familie van jou?? Het zijn mijn opa en oma.” Nou snap ik wel dat Rieky dit vraagt want haar oma heet Francisca van Erp en in het trouwboekje staat geboren in Geffen in 1875. Toch hoeft iemand met de achternaam van Erp uit Geffen niet zonder meer familie te zijn van mij, want de achternaam van Erp komt er frequent voor en er wonen verschillende families met dezelfde achternaam terwijl het geen familie is. Nieuwsgierig was ik natuurlijk wel.

Stamreeks Gerrits

Een genealogisch aanknopingspunt naar de familie Gerrits was snel gevonden op de Myheritage-website. De Gerritsen komen oorspronkelijk uit Leur, hier bij Wijchen. In 1756 wordt Wilhelmus, zoon van Gerardus Willems en Petronella Peeters geboren, die Willem Gerardisse genoemd wordt. Later gaat Willem de naam Gerrits voeren. Diens zoon Jan (1799 – 1848), die zijn hele leven in Leur heeft gewoond, krijgt in 1844 een zoon Gijsbertus Gerrits en die trouwt in 1872 met Henrica Willems uit Huisseling aan de andere kant van de Maas. Gijsbertus en Henrica zijn in Huisseling gaan wonen. Daar wordt ook hun zoon Jan Gerrits (1873 – 1952) geboren, die in 1903 trouwt met de Geffense Cisca van Erp (1875 – 1948). De oma van Rieky, die ook familie van mij zou kunnen zijn. Jan en Ciska krijgen elf kinderen; een van hen is Grad (1907 – 2000). Hij trouwt in 1939 in Reek met Kea Gerrits en ze blijven in Reek wonen.

Links trouwfoto van Grad Gerrits en Kea Gerrits en rechts een artikel uit de krant toen het echtpaar 50 jaar getrouwd was

Zoals in het krantenartikel hierboven is te lezen kreeg het echtpaar Grad en Kea Gerrits-Gerrits veertien kinderen, waaronder Rieky, die met Peter de Valk in Wijchen is gaan wonen en Jan, die met Riek de Valk in Balgoy is gaan wonen. Nu terug naar Rieky’s vraag: “Zijn wij familie van elkaar?”

De geboorteaangifte van Francisca van Erp

De geboorteaangifte van Francisca van Erp uit de burgerlijke stand van de gemeente Geffen geeft meer duidelijkheid over haar afkomst. De aangifte van haar geboorte wordt gedaan op 15 december 1875 door haar vader, de drieëndertigjarige voerman Gerardus van Erp. Hij verklaart dat op 14 december in zijn huis aan de Papendijk 67 zijn echtgenote Maria Kuijpers is bevallen van een dochter.

Detail uit de stamboom van Erp

In de stamboom van onze familie van Erp kunnen we terugvinden, dat Gerardus (Grad) van Erp een broer was van mijn overgrootvader Cornelis van Erp. Francisca was dus een nicht van mijn opa Petrus (Piet) van Erp. Zij ging al op 18-jarige leeftijd als dienstmeid werken in Alem (1893-1897; bevolkingsregister). In mei 1902 gaat ze in Huisseling werken (volgens bevolkingsregister van Huisseling en Neerloon in ’t Weegstraatje op C75). Misschien dat Jan Gerrits en Cisca van Erp langs die weg met elkaar in contact zijn gekomen? Het antwoord op de vraag van Rieky is in ieder geval wel duidelijk. Rieky en ik zijn familie en dat betekent ook dat ik nu weet dat ik familie ben van mijn medebestuursleden van harmonie Kunst en Vriendschap Jeroen (zoon van Jan Gerrits) en Yvonne (dochter van Rieky de Valk – Gerrits). Een lid van harmonie Kunst en Vriendschap uit Balgoy voelt zich dus niet alleen familie, maar kan zomaar ineens ook echt familie worden.

Fietsend of wandelend van Wijchen naar Grave – Historie van Wijchen, Balgoy en Grave verbinden

Bij het teruglezen van een artikel op de website van de Gelderlander van vorig jaar, waarin Balgoyenaar en medelid van Pagus Balgoye Ruud van Haren weer eens enthousiast aan het vertellen was over de Balgoyse geschiedenis, werd mijn nieuwsgierigheid ook weer geprikkeld. Hoe zit dat nou met die verbinding tussen Balgoy en Wijchen. Het zijn leuke artikelen in de krant, op tv Gelderland en op Facebook, waarin Ruud enthousiast verteld over het Balgoyse kasteel en ook altijd weer zegt dat er meer moet worden onderzocht.

Uit het proefschrift van Hermans, links: Overzicht van de opgraving van Balgoy. Tekening J. Renaud 1942 en rechts: Fantasietekening van Balgoy door J. Stellingwerf, ca 1725.

Toch is het een feit dat we best veel weten over hoe het middeleeuwse kasteel van Balgoy eruit gezien moet hebben en dat is te danken aan Renaud, die in het begin van de jaren veertig van de vorige eeuw de fundamenten van het kasteel blootlegde. In die periode werd de burchtheuvel afgegraven en het grachtentracé gedempt. Maar dat zegt nog niets over wie er in het kasteel gewoond heeft en wat er allemaal gebeurd is. Ik ben geen expert wat de kastelen in de regio betreft, maar ik ben wel nieuwsgierig naar de bewoners van het Balgoyse kasteel in relatie met de Balgoyse mensen. Automatisch wil je dan ook weten wat er met het kasteel gebeurd is. Dus toch maar even terug in de tijd gedoken.

Zoals in de Canon van Nederland wordt beschreven was de Republiek der Nederlanden in de 17e eeuw één van de rijkste en machtigste landen ter wereld. Niet voor niets wordt deze periode de Gouden Eeuw genoemd. De buurlanden van de Republiek hadden hier moeite mee en Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen verklaarden de Republiek in 1672 de oorlog. Het grootste leger van Europa sinds de Romeinen stond voor de deur van de Republiek: 1672 zou dan ook de geschiedenis ingaan als het Rampjaar. Een grote troepenmacht onder aanvoering van de Franse koning Lodewijk XIV trok plunderend en moordend vanuit het zuiden opwaarts door ons land. Ook het kasteel in Balgoy, dat al vanaf 1584 Spaans bezit was (De heerlijkheid was van de 15e tot en met de 17e eeuw in het bezit van de families van Ooi, Maschereel en d’Oultremont) werd tijdens die plundertocht totaal verwoest. Het kan niet anders dan dat ook de Balgoyse mensen slachtoffer zijn geweest van plunderende en moordende soldaten van het leger van Lodewijk XIV. De strijd van de Republiek tegen de Fransen zou nog zes jaar duren: tot de Vrede van Nijmegen in 1678-1679. Het is niet duidelijk of het kasteel bewoond was in die tijd, maar wel is het kasteel gebruikt als hoofdkwartier bij de maanden durende belegering van het door de Fransen bezette Grave in 1674.

Carel Rabenhaupt op een prent uit 1673 (Bron: Romeyn de Hooghe, Rijksmuseum).

Een van de meest ervaren officieren van Willem III, de 72-jarige baron Carel Rabenhaupt, krijgt de opdracht om Grave op de vijand te heroveren. Op 8 juli 1674 verlaat Rabenhaupt Den Haag en reist hij naar Nijmegen en op 25 juli begon het beleg van Grave. De capitulatie was op 27 oktober. De bevelhebber van het leger der Staten had zijn hoofdkwartier in Balgoy (M.T. Roelofs, Geschiedenis van Grave (1938) blz. 33) en in een uitgave van het tijdschrift Militaire Spectator uit 1836 over het beleg van Grave staat ook beschreven dat dat op het kasteel Balgoijen was.

Detail uit Militaire Spectator 1836.

Dit sluit aan bij het verhaal van Ruud van Haren die vond dat legeraanvoerder Rabenhaubt tijdens het beleg van Grave in de zomer van 1674 zijn hoofdkwartier had in Balgoy. In de Gelderlander vertelt hij: “Hij moet zijn hoofdkwartier in het kasteel gehad hebben. Andere voorname gebouwen waren er niet.’’ Het artikel in De Militaire Spectator toont aan dat het kasteel in Balgoy inderdaad werd gebruikt als hoofdkwartier. Als op een gegeven moment prins Willem III het beleg te lang vindt duren, komt hij op 9 oktober van dat jaar met versterkingen aan in Wijchen om zo te proberen voor de winter Grave te heroveren. Hij verblijft dan in het Wijchens kasteel. Een bijzonder feit dus wat Wijchen nog beter op de kaart zal zetten in de historische geschiedenis van ons land en ook nog eens een belangrijke rol voor Wijchen en Balgoy samen in de slag om Grave.

Ruud van Haren vertelt enthousiast over Balgoy en de verbinding met Wijchen en Grave.

In hetzelfde artikel op de website van de Gelderlander oppert Ruud het idee van een leuke historische fietstocht van kasteel Wijchen langs de plek waar het kasteel in Balgoy heeft gestaan en dan naar Grave. Hij heeft ook al een naam: de Rabenhaupt-fietstocht. Ik zou daar aan willen toevoegen dat een historische wandeltocht zeker ook een optie kan zijn. Starten vanaf het treinstation in Wijchen via het kasteel in Wijchen lopen door een fantastisch natuurgebied, waar eeuwenlang de Maas gemeanderd heeft en waar het kasteel van Balgoy gestaan heeft, naar de vestingstad Grave. Een flinke wandeling van zo’n 15 km en dan met de bus vanaf het busstation in Grave terug naar het treinstation in Wijchen. Dit ga ik zeker uitwerken in de komende tijd.

Wandelen van Wijchen via Balgoy naar Grave. De historie van Wijchen, Balgoy en Grave verbinden.

Met pensioen – herinneringen aan de Veegerkliniek in Nijmegen

De Veegerkliniek in 1992. De afdeling Huidziekten van het Radboudziekenhuis ging verhuizen van de Javastraat naar het Radboudterrein.

En dan is het zover…. Na meer dan 44 jaar onderzoek op de afdeling Dermatologie (Huidziekten) van het Radboudumc (Radboud Universitair Medisch Centrum) “mag je met pensioen”. Natuurlijk was er op 3 november een heel gezellige afscheidsreceptie en daarna een etentje met de directe collega’s. Nu, een paar weken later, is het tijd voor een eerste terugblik. Tijd voor een stukje geschiedenis van de afdeling Dermatologie en wel het begin op de Veegerkliniek aan de Javastraat, ver van het Radboudterrein.

Vragen die in de afgelopen jaren vaak gesteld werden: “Waarom doe je dit onderzoek?”, “Hoe kom je er bij om dit te gaan onderzoeken?” en “Wat hebben patiënten daar nu aan?”. Ik denk dat simpele antwoorden op deze terechte en op zich vanzelfsprekende vragen niet zijn te geven, maar dat veel duidelijk wordt wanneer een beeld geschetst wordt van hoe een researchlaboratorium zich heeft ontwikkeld in de loop der jaren.

Omdat er geen laboratoriummensen van het eerste uur meer werkzaam zijn, heb ik voor de situatie in de vroegste jaren hoofdzakelijk en vaak ook letterlijk geput uit het Liber Amicorum, aangeboden bij het afscheid van Prof. Dr. J.W.H. Mali op 31 oktober 1985. Ikzelf was toen weliswaar ruim zeven jaren werkzaam als analist op het researchlaboratorium, maar nog wel een groentje. Het is met name de inleiding van het Liber Amicorum die Mali zelf schreef, die een prachtige omschrijving geeft van de locatie van het eerste uur en die de oorspronkelijke doelstellingen en achtergronden voor research op Dermatologie op een originele manier verwoorden.

Onderzoek op het laboratorium in het tandheelkundegebouw met in het midden zittend biochemicus en hoofd van het lab Paul Mier en links ikzelf, begonnen als biochemisch analist, maar na het vertrek van Henk Roelfzema zelfstandig onderzoeker. Naast mij post-doc Joan Gommans.

De wandelaar die vanaf het Nijmeegse station de Javastraat inslaat, ontmoet op de hoek van deze met meidoorn beplante allee een vreemd conglomeraat van bouwsels. Om een in het begin der eeuw in een soort Jugendstil gebouwd landhuis strekken zich enkele vleugels uit, die naar de westkant overgaan in een souterrain. Is onze wandelaar enigszins bereisd, dan zal hem ongetwijfeld de overeenkomst met de stad New York en speciaal Manhattan opvallen. Daar, zoals hier een organisch gegroeide eenheid die uit zeer verschillende elementen is opgebouwd. De grijze ernst der grote granietblokken wordt enigszins verlicht door speelse elementen in de architraven. Een fraai contrast levert de fietsenbergplaats aan de noordzijde van het complex met de grote verzinkte vuilnisbakken aan de zuidkant van het toegangsplein. Hier verheffen zich twee pylonen als hommage aan de ontdekkers van het DNA, Watson en Crick. Men zou hen kunnen zien als het hart van het geheel, waren zij niet zo ongenaakbaar.

Op 18 juni 1957 werd na een H. Mis in de ziekenhuiskapel en een “feestelijk ontbijt”, de inzegening van het gebouw verricht door Mgr. Post op de van hem zo bekende, nauwkeurige en precieze wijze (geen steen werd overgeslagen). Het pand kreeg de naam Dr. Veegerkliniek naar de toen juist overleden inspecteur van de Volksgezondheid in de provincie Gelderland, Dr. Veeger. ’s Middags hield de pas benoemde hoogleraar, Prof. Dr. J.W.H. Mali, zijn oratie en ’s avonds vierde hij zijn verjaardag. Lange tijd is de verjaardag van de kliniek op deze datum gevierd. Een belangrijk onderdeel hiervan was het “dagje uit” of schoolreisje. Een traditie die de afdeling ook heden ten dage nog in ere houdt. Het eerste uitstapje was naar de wereldtentoonstelling te Brussel, waarnaar, zoals later bleek, Mgr. Post zo graag was meegegaan. Hoe de tijden veranderd zijn blijkt uit het nu onvoorstelbare gegeven dat bij een volgend dagje uit alléén de hoogleraar en de uitgenodigde directeur van het Radboudziekenhuis mochten zwemmen, maar dat ’s avonds het hele gezelschap vrolijk in een Arnhemse nachtclub verdween.

De research speelde zich in die dagen in hoeken en gaten van de zolder af. De eerste medewerker op dit gebied was Drs. J. van Kooten, fysisch chemicus, die als opdracht kreeg de functies van de huid als membraan te analyseren. Prof. Mali stond in die dagen het wiskundig model voor ogen dat Slaverman in Delft voor een synthetisch membraan had ontworpen, waarvoor hij 17 vergelijkingen nodig had.

Inmiddels had het grote leven buiten de Veegerkliniek niet stilgestaan. De massale opleving van de woningbouw in de zeventiger jaren bracht vele Nederlanders voor het eerst in contact met het chroom dat in alle cementen verstopt was. Hardnekkige eczemen waren hiervan het gevolg. Voor de dames dreigde het gevaar uit een andere zijde, namelijk dat van de jarretelle. Als een olievlek breidde de overgevoeligheid voor nikkel zich uit, waarbij de ongelooflijke lijdzaamheid van de slachtoffers bijzonder treffend was.

Prof. Kuiper (links) en Prof. Malten aan de wandel tijdens een dagje uit

Ten gevolge van de explosie van contacteczemen werd de research in deze richting geleid. Zij kreeg een extra impuls door de komst van Dr. Malten, die zich reeds een grote ervaring als allergoloog en bedrijfsarts had verworven. Een ander probleem dat de buitenwereld op de afdeling Dermatologie en haar onderzoekers afstuurde was dat van de open benen. Met de komst van Dr. Kuiper in 1960, die zich met een koffertje met dia’s over open benen presenteerde, werd een nieuwe impuls verkregen, die door een gelukkige verbinding tussen kliniek en research van de afdeling Medische Fysica (Dr. Brakkee) tot een zeer succesvolle ontwikkeling heeft geleid. In de loop der jaren werden methoden ontwikkeld en aangepast voor de meting van waterverlies via de huid, van CO2 afgifte, geleidbaarheid van de huid voor wisselstromen, van celdelingsactiviteit door middel van flowcytometrie, van huidtemperatuur en warmtegeleidingsvermogen. Verder werden technieken ontwikkeld zoals plethysmografie voor arteriële doorbloeding, plethysmografie voor meting van veneuze druk en dopplermetingen.

De behandeling van en onderzoek naar eczeem namen een belangrijke plaats in.

Juist toen met name het eczeemonderzoek zijn hoogtepunt kende, en de vraag ontstond of de hele onderzoeksgroep zich voor dit soort onderzoek zou moeten gaan inzetten, werd besloten om over te gaan tot een heroriëntatie van het onderzoek. Als reden werd opgegeven dat door verandering van de conjunctuur (bouw) en mode (panty) het aantal patiënten met chroom en nikkeleczeem snel begon af te nemen. De grote problemen van de dermatologie, atopische dermatitis, psoriasis en acne waren in die tijd (eind zestiger jaren) nog even groot als tien jaren daarvoor. Alleen kwamen er nu aanwijzingen dat op het moleculairbiologische vlak voor het eerst hypothesen te formuleren waren die exact getoetst konden worden. Met groot enthousiasme begonnen rond 1970 twee Engelse biochemici met dermatologische ervaring, Mier en Cotton, de aanval op het moleculairbiologische vlak. Omdat met name ook Prof. Mali vermoedde dat de zweetklier een rol zou spelen in de pathogenese van bovengenoemde ziektebeelden, concentreerde zich een deel van het onderzoek hierop. De Japanner Sato werd voor een jaar als onderzoeker aangetrokken en Nijmegen werd in dat jaar het zweetmiddelpunt van de wereld, met Dobson en Sleegers op de afdeling Fysiologie, Sato, Mier, Cotton, Hemels en Warndorff, Seutter en Kuypers op de afdeling Dermatologie. Het vele onderzoek resulteerde in een nieuwe theorie over de functie van de zweetklier als “heat-pipe” (Thiele, Reay).

Afdelingsfoto uit begin jaren tachtig van de vorige eeuw met op de achtergrond de Veegerkliniek

Ruimtegebrek op de Veegerkliniek maakte dat moest worden uitgezien naar additionele werkplekken. Er werden laboratoriumruimten verkregen op de Tandheelkundige afdeling en het isotopenlaboratorium van de afdeling Neurologie werd ter onzer beschikking gesteld. Het onderzoek op de laboratoria in het tandheelkundegebouw werd verlegd naar de epidermale cellen en naar groeiregulatie (Mier, Bauer, Boezeman, Roelfzema en Gommans). Onderzoek naar de etiologie en pathogenese van psoriasis kreeg de nadruk. In eerste instantie ontstond er een kloof tussen kliniek en onderzoek, mede veroorzaakt door de verschillende locaties, maar later werd ingezien dat de kracht van deze afdeling met name moest worden gezocht in de integratie van klinisch en fundamenteel onderzoek. Al in 1970 werd een deel van de tuin door een vijftal kamers voor stafleden ingenomen. Toen was alles vol! De vraag rees: hoe zal de toekomst verlopen? Nieuwbouw misschien?

Als de bereisde wandelaar van 1985 in 1996 vanaf het Nijmeegse station richting Malden fietst, ontmoet hij, ongeveer halverwege zijn reis in een met gigantische beuken beplante allee, een parallellogram-vormig bouwwerk dat een eenheid vormt met het parmantige autoriteit-uitstralende torentje aan de westzijde. Het gebouw onderscheidt zich in alles van zijn buren. Een buitenbeentje in vele opzichten. Onze fietser, bereisd als hij is, ziet dan ongetwijfeld geen overeenkomst met het in het begin der eeuw in een soort Jugendstil gebouwde landhuis in de Javastraat op nummer 1, laat staan met de stad New York.

Bron: 25 jaar Dermatologie onder Prof.Dr. J.W.H.Mali. Liber Amicorum, aangeboden bij zijn afscheid op 31 oktober 1985 (Kuiper, Prof.Dr. J.P. (e.a.))

Historische rondleiding door Geffen met familie

Mijn broer Willie met hoed als Hendrik de Booij (een rijke Geffense burger uit de 17e eeuw) en zijn zoon Arnout met pet als Jan van Lith (een boer uit de 19e eeuw) beginnen hun rondleiding door Geffen tegenover café Govers bij de ingang van de kerk.

Het is zondag 20 november voor de middag en berekoud. We verzamelden ons bij café Govers voor een historische rondleiding door Geffen. Wie zijn wij? Wij zijn allemaal nazaten van Cornelis van Erp. Ik ben bijvoorbeeld Piet van Jan van Piet de Corry. Mijn opa Piet was de zoon van Cornelis en Piet de Corry was in Geffen waarschijnlijk het best bekend, omdat hij een kruidenierswinkel had in groenten en zuidvruchten midden in het dorp in de kloosterstraat. Enkele jaren geleden stond op de website van het BHIC een kort verhaal over een plekje dat iedere Geffenaar kent. Ook op deze Blog heb ik er eerder over verteld.

Detail uit de Myheritage stamboom van de familie van Erp.

Behalve Piet (1898-1969), hadden Cornelis van Erp en Johanna Hermes, die in de Elst woonden (B100) nog meer kinderen, nl. Jas (1892-1967), Han (1893-1958), Wim (1901-1965), Frans (1903-1947), Adriaan (1905-1974) en Has (1910-1987). Er zijn ook enkele kinderen op jonge leeftijd overleden. Het was uniek om als kinderen en kleinkinderen van die generatie rondgeleid te worden in Geffen door een klein- en achterkleinkind van Piet de Corry. Het was leuk, interessant, leerzaam en vooral ook heel gezellig.

En… dat het koud was, was niet erg, want de gidsen hadden zich goed voorbereid! Een Geffens neutje gaat er dan wel in en past ook bij het verhaal waarin meerdere brouwerijen in het dorp worden genoemd.

Het was meer dan de moeite waard om weer een keer door het dorp te lopen waar ik geboren ben. Een stukje Geffense geschiedenis te horen en de plekken weer te zien waar ik vroeger rondgelopen heb. Natuurlijk is het meer dan veertig jaar geleden dat ik uit de van Coothstraat vertrokken ben, maar de plekken waar mijn familie heeft gewoond, waar gemeentehuis, molens, scholen, brouwerijen en klooster hebben gestaan en de verhalen die daar bij horen, blijven mij boeien.

Samen met je familie een historisch rondje van twee kilometer lopen in anderhalf uur tijd is meer dan de moeite waard en na afloop is er nog het nodige nagepraat. Bedankt broer en neef voor de organisatie!

Herinnering aan operatie Market Garden aan de hand van een Amerikaanse helm

Het is zelden dat hier een verhaal verschijnt over de tweede wereldoorlog. Niet dat het historisch onbelangrijk is natuurlijk, of dat het geen impact heeft gehad voor de mensen in Balgoy. Het heeft simpelweg niet mijn primaire interesse en er zijn mensen in Balgoy die er veel meer van weten. Een van die Balgoyse mensen is Werner Peters en dit verhaal is ook zijn verhaal in woord en beeld. Het verscheen al in Facebook, maar vanwege het vluchtige karakter van dat medium heb ik besloten (met toestemming van Werner) het ook in mijn blog een plekje te geven.

Gisteren was het 17 september 2022 en was het 78 jaar geleden dat hier vliegtuigen en parachutes de hemel vulden tijdens operatie Market Garden. In Nederasselt en Overasselt waren grote landingsplaatsen voor parachutisten en zweefvliegtuigen. De brug over de Maas bij Grave viel in Geallieerde handen. Een tijd van angst en blijdschap voor de lokale bevolking, eindelijk werden we bevrijd van de Duitse bezetting.

Voor ons dorpje, Balgoy, was dit waar. De Amerikaanse 82e Airbornedivisie landde in deze omgeving om de bruggen over de Maas en over de Waal in te nemen. Al op die 17e september 1944 liepen er Amerikaanse luchtlandingssoldaten in ons dorp. Een paar dagen later werden ze versterkt door opgerukte grondtroepen die veelal uit soldaten van het Engelse gemenebest bestonden. Maar omdat het ambitieuze plan een “brug te ver bleek” te zijn gold dit niet voor heel ons land. Arnhem kon niet bereikt worden en harde gevechten voor onze vrijheid zouden volgen tot de uiteindelijke Duitse Nederlaag in mei 1945. Tot die tijd bleef een groot gedeelte van ons land bezet. 

En daarbij zou nog veel leed geleden worden. Door soldaten aan beide zijden en de burgerbevolking in het midden. Al 78 jaar is het hier ter plaatse geleden, dat we bevrijd werden door soldaten die nog nooit van ons dorp gehoord hadden. Soldaten, die soms hun leven gaven voor het ideaal van vrijheid. Een offer dat nooit vergeten mag worden. Ook mogen we de mensen niet vergeten die de strijd overleefden, dat zij hun jonge onschuldige jaren voor ons opofferden en de rest van hun leven moesten leven met wat ze gedaan en gezien hadden.

Van de soldaten die de strijd in September 1944 meegemaakt hebben zijn er niet veel meer in leven. De herinneringen vervagen, wat niet opgeschreven werd gaat verloren. Gelukkig is dat veel gedaan. Hele boekenkasten vol. Interviews zijn opgenomen en kunnen nageluisterd worden. Maar veel gaat vergeten worden. Want nog maar even en het enige wat rest is de archeologie.

Littekens die soms niet gezien werden maar duidelijk aanwezig waren. Oorlog verandert mensen, en zelden ten goede. We mogen blij zijn dat het al zo lang geleden is dat het land eronder geleden heeft en het is goed dat we er alles aan doen om het zo te houden. En het is zeker goed om de mensen en hun daden te herdenken waar we dit aan te danken hebben. Ook moeten we niet haatdragend zijn tegen de voormalige vijand. Zoals mijn oudoom zei “die jongens moesten ook”. Oorlog is politiek, dus neem het de politiek van die tijd kwalijk en niet de mensen die ervoor in het geweer moesten. Meestal hadden die gewoonweg geen keus of waren verblind door propaganda.

En ook daarin werkt de tijd door. De in dit verhaal getoonde Amerikaanse helm kreeg ik jaren geleden van de Familie Hammen. Opgeploegd in Groesbeek waar ook luchtlandingsplaatsen waren. Een prachtig geschenk waar ik nog steeds dankbaar voor ben.

Want geschiedenis in je hand houden, dat maakt een connectie. Het wordt tastbaar en voorwerpen vertellen hun verhaal. Geschiedenis is niet ver weg, het is overal rond ons heen. We zijn er het resultaat van en wat we nu zijn zal ooit geschiedenis zijn.

Heel lang heb ik niets aan de helm durven doen. Bang om de geschiedenis aan te tasten. Maar het oppervlak liet steeds meer los en ik was bang dat het stuk zou vergaan als ik het niet zou beschermen.

Dus de helm kreeg een bad in oxaalzuur. Hierdoor lost de roest op en komt eventuele verf weer tevoorschijn. Daarna goed gespoeld om het zuur kwijt te raken en geconserveerd met paraloid b72, een kunststof opgelost in aceton, om het te conserveren. In plaats van dat er geschiedenis verloren ging kwam er meer tevoorschijn. Details werden zichtbaar en zelfs de verf bleek redelijk bewaard te zijn. De gevechtsschade is beter te onderscheiden van de roestgaatjes en persoonlijk ben ik blij verrast met het resultaat.

De helm was van een Amerikaanse soldaat, zoals gezegd gevonden bij landbewerking in Groesbeek. Mogelijk is hij van een parachutist geweest maar aangezien later ook nog in het gebied gevochten is kan het ook een infanterist toebehoord hebben. Moeilijk met zekerheid te zeggen.

De helm is van Amerikaans ontwerp en heet officieel “Helmet, Steel, M1”, goedgekeurd voor productie in 1941. Er waren door de tijd verschillende kleine veranderingen en deze helm kan worden betiteld als US M1 fixed bale front seam helmet. Fixed bale gaat over de bevestigingspunten van de kinriem, bij deze helm niets meer dan een simpel beugeltje aan twee punten vastgelast (fixed), latere helmen waren wat gecompliceerder. Het stukje “front seam” gaat over de roestvrijstalen rand om de helm heen die aan de voorzijde begint en eindigt. Dit veranderde in 1944 dus daaraan kan de helm enigszins gedateerd worden. Velen die na de oorlog in dienst gezeten hebben zullen een opvolger van deze helm op het hoofd gehad hebben die minder liefkozend “pispot” genoemd werd.

Vaak wordt gedacht dat helmen gemaakt zijn om kogels tegen te houden of hetzelfde doel hadden als middeleeuwse helmen. Beide gevallen kloppen niet alhoewel ze soms wel dat voordelige effect hadden. Het is zeer moeilijk om een bescherming voor het hoofd te maken die gerichte kogels kan tegenhouden, de helm zou gewoon te zwaar worden voor onze nek. De middeleeuwse helm was gemaakt om klappen van dichtbij op te vangen, slagen van zwaarden, bijlen en oorlogshamers.

De militaire stalen helm van nu is ontwikkeld in de eerste wereldoorlog. Tegen de verschrikkelijke wonden ontstaan in de loopgraven door een vijand die van ver weg een regen van stalen splinters op de soldaten liet neerdalen. De artillerie. Hun granaten waren zo ontwikkeld dat ze boven de hoofden van de soldaten ontploften en een groot gebied bestreken. De stalen helm was ontwikkeld om in veel gevallen de splinters af te ketsen. Daarom hadden de Engelse soldaten zulke brede randen op de helm zitten en de Duitse helmen zo’n lange halsbeschermer.

Het gevaar kwam van boven en de meeste gewonden en gesneuvelden in de oorlogen van afgelopen eeuw zijn gemaakt door de artillerie. Een vijand die je niet kan zien en alleen kan vrezen. Ook een helm kon niet elke granaatsplinter tegenhouden. Deze helm is daar testament van.

Aan de binnenzijde van de helm is met potlood wat geschreven geweest. Een streepje, een 9 of een g, en dan heeft de tand des tijds helaas toegeslagen, een andere letter of cijfer is niet meer te ontcijferen, laat staan wat er nog meer stond. Maar dat een simpel iets als een potloodstreep de tijd kan doorstaan is hoopvol. Geschiedenis kan ontdekt worden op de vreemdste plaatsen. Of soms heel dichtbij. Kijk eens in uw eigen omgeving, welke verhalen zijn er nog, welke tekenen in het landschap. Ga er op uit en ontdek!

De scherf is rechtsboven ingeslagen en heeft aan de achterzijde de rand versplinterd. Het is te hopen dat een soldaat de helm toen niet op had want dit is niet te overleven lijkt me.

Deze helm heeft met de inslag en door zijn verblijf in de grond veel geleden. Maar net als vele andere voorwerpen kan hij een groots verhaal vertellen, ons doen inzien wat de prijs van vrede is en hoe dankbaar we moeten blijven voor die vrede. Dat doe je het beste door te herdenken en gisteren heb ik al vele vliegtuigen over zien komen die die herdenkingen tastbaar maken….

Bedankt Werner voor je verhaal. Zo maak en houd je geschiedenis levend.